Ligeti is klein en helder bij Salonen

Concert: Koninklijk Concertgebouworkest en Kamerkoor Nieuwe Muziek o.l.v. Esa-Pekka Salonen. Gehoord 13/6 Concertgebouw Amsterdam. Uitzending Radio 4 AVRO: 20/6 14 uur.

“Nachtenlang kon hij op een nuance liggen wachten, als een wild dier dat zijn prooi ruikt. Vijf voltooide actes wogen niet op tegen één goed aangeslagen none-akkoord”, aldus René Peter (1872-1947) over het scheppingsproces bij Debussy.

Zaterdag op het laatste concert in een premièreserie van het Concertgebouworkest, dirigeerde Esa-Pekka Salonen Debussy's La damoiselle élue. De cantate is naar Debussy's eigen woorden beïnvloed door Chabriers uitgesproken wagneriaanse cantate La Sulamite, eveneens met vrouwenkoor. Maar tegelijkertijd gloort, om met de pre-raphaelitische tekstdichter Rossetti te spreken in het geheimzinnige lover de nieuwe Debussy. In het struikgewas ademt een onzichtbare duif, zingt de zalige jonkvrouw. En dat duifthema blijkt zowaar al op none-akkoorden gebouwd!

Beide aspecten, het violet van Chabriers Sulamite naast Debussy's eigen meer blauwgetinte kleurenpracht, kwamen uitstekend tot hun recht. Kon Salonen op zijn vorige concert met dit orkest zijn hang naar epateren niet geheel bedwingen, nu dirigeerde hij meer in dienst van de muziek.

Zo mogelijk nog helderder ontvouwden zich de werken van György Ligeti. Geen wonder, Salonen kent ze door en door, onlangs legde hij het volledige werk van Ligeti vast voor Sony.

Rond 1970 was Ligeti het produktiefst, componeerde hij het gemakkelijkst. Later kwam een langdurige crisis, maar destijds lag hij echt geen nachten wakker. Daarbij ging het steeds om een vorm tussen kamer- en orkestmuziek in. Salonens stellingname is duidelijk: hij kiest voor de kamermuziek. Melodien (1971) werd gespeeld in enkelvoudige bezetting met de meest melodische figuren individueel herkenbaar, precies zoals Ligeti dat wilde, elastisch in een licht rubato. Daaronder deed de tweede laag in topazen kleuren zich wat zwakker gelden, met als laatste ondergrond de langstliggende lijnen in een donkere kwartskleuring.

Niet minder magnifiek was de uitvoering van Clocks and Clouds, met een fraaie bijdrage van het Kamerkoor Nieuwe Muziek. Raffinement sprak uit zowel de diffuse texturen als uit de regelmatige, herkenbare figuraties. Ligeti tast hier het continuüm tussen het chaotische en het exacte af. Het enige nadeel van een dergelijke verheldering is, dat je de paar mislukkingen ook helder hoort.

Hetzelfde viel op te merken over de uitvoering van Stravinsky's Le sacre du printemps, dat het orkest onderhand wel kan dromen. Salonen zette de helgroene overrompelende lentepracht messcherp neer. Debussy's karakteristiek van de Sacre, die hij met de componist vierhandig had doorgespeeld, spreekt het meest aan: “De herinnering aan de Sacre achtervolgt me als een schitterende nachtmerrie, ik wacht op de uitvoering als een gulzig kind, dat men een pot rode jam heeft beloofd.”