Kansarme jeugd terzijde bij Roots

Concert: Amsterdam Roots Festival. Gehoord: 12/6 Tropeninstituuten 14/6 Oosterpark, Amsterdam.

Nog één liedje, en dan nog een, enzovoort. Zelfs ordinaire dansbands spelen soms zo pakkend dat je je vertrek herhaaldelijk uitstelt. Het uit Madagascar afkomstige Jaojoby is zo'n orkestje waar je zelfs met je jas al aan nog rustig een half uur blijft plakken. De drummer speelt onnadrukkelijke after beats, de drie gitaren weven vriendelijke motieven, de drie vocalisten doen niets spectaculairs maar het geheel klinkt zo vief en veerkrachtig dat zelfs houten klazen gaan merken dat ze spieren hebben. In het Tropeninstituut danste iedereen, ook de mensen die een stoel bezaten.

Bij het eveneens uit Madagascar afkomstige Feo-Gasy ligt de klemtoon op welluidende meerstemmige zang. Zo slecht als de Marmeren Hal zich leent voor een massa kabaal, zo goed komt vocale muziek er tot zijn recht, vooral als die a capella wordt gezongen. Dat bleek ook bij het veertien-koppige Wagogo uit Tanzania. De zang van het meidenkoor doet door zijn strakheid soms denken aan Les Voix Bulgares, die van de mannen aan de hallucinerende polyfonie van de pygmeeën uit centraal Afrika.

Er werd ook goed getrommeld en gedanst. Dat nu eens niet de achterwerken de beweging bepaalden maar de met veren gesierde armen en schouders deed deugd. Dat Wagogo geen traditionele volksdansgroep is maar een theatergroep met artistieke ambities bleek uit de bestudeerde choreografieën, de strakke programma-opbouw en het onbeschroomd leentjebuur spelen bij andere culturen. De scherpe yells bijvoorbeeld die regelmatig weerklonken leken sprekend op die uit Noord Afrika.

Lenen en uitlenen bleek ook aan de orde van de dag in het 'Werelddorp' dat zondag in het Oosterpark was opgebouwd. Bijvoorbeeld bij de Nazaten van Prins Hendrik die zich, hun naam indachtig, wijden aan een soort bastaardmuziek waarin kaseko, calypso en Europese fanfaremuziek vrolijk flirten met jazz en blues. De trombone van Boudewijn Deeleman loeit uitnodigend de basssax van Klaas Hekman knort tevreden, het gitaartje van Robby Alberga knettert gezellig en de aankondigingen van Keimpe de Jong borrelen over van Rotterdamse gein.

Dat ook Hollanders 'Surinaamse' muziek kunnen maken, zoals presentatrice Moniek Hoogmoed na afloop vaststelt, is iets om over na te denken. Voor twee minuten althans, de looptijd die nodig is om het 'Afrikaanse dorp' te bereiken waar keiharde salsa uit de speakers knalt. Of het 'Arabische' podium bij de ingang waar de Nederlands-Marokkaanse band Arabesque ondanks een flinke regenbui een aanzienlijk publiek vast weet te houden. Heel opvallend daarbij is dat de 'kazen' vooraan staan en de vooral mannelijke Marokkaanse jeugd uiterst bescheiden aan de marge.

Het openluchtprogramma in het Oosterpark werd ondanks het tamelijk slechte weer goed bezocht en moet dus volgend jaar opnieuw in het Amsterdam Roots Festival. Al was het maar om als 'kansarm' omschreven jongeren te laten zien en horen dat er meer is dan geld en voetbal. Dat onschuldige elleboogje van Kluivert trouwens, was dat nu Hollands of Surinaams? Misschien een goede vraag voor Moniek Hoogmoed.

    • Frans van Leeuwen