Industrion toont Limburgs verleden

Het afgelopen weekeinde opende in Kerkrade het nieuwe Industrion zijn deuren, een raamloos museum waar de bezoeker Limburgs industriële verleden en heden wordt binnengevoerd.

KERKRADE, 15 JUNI.Limburg heeft een deel van zijn rijkdom te danken aan delfstoffen. Met mergel wordt onder meer cement gemaakt, klei is de grondstof voor de keramische industrie. Verder zitten er grind en kolen in de grond. Elk gebouw rijst natuurlijk de grond uit maar bij het afgelopen weekeinde geopende museum Industrion in Kerkrade gebeurt dat nadrukkelijkerdoordat er rondom een berg aarde begroeid met gras is aangebracht. Bovendien stond de Eindhovense architect Rein van Wylick ook niet veel anders te doen dan een stukje de grond in te gaan omdat volgens het gemeentelijke voorschrift ter plaatse de bebouwing niet hoger dan 5,5 meter boven het maaiveld mag uitsteken. Alleen voor het schachtblok werd een uitzondering gemaakt.

De expositieruimte van het nieuwe museum is raamloos en wordt slechts verlicht door kunstlicht. Dat heeft te maken met een ander voorschrift, opgelegd door de belangrijkste subsidiënt, de provincie Limburg. Die vindt dat de bezoeker in zijn tocht door het verleden van Limburg niet mag afgeleid door beelden van buiten. Met die eis kreeg eveneens Eindhovense vormgever Marcel Wouters te maken. En omdat uitgerekend op de dag dat de pers vorige week een voorbezichting werd gegund de hoofdzekering het begaf, werd het een tasttocht die hopelijk voor de iniatiefnemers van het museum de bevestiging is van het adagium dat een slechte generale repetitie gevolgd wordt door een goede uitvoering.

En daarvoor heeft dit kijk- maar vooral doemuseum, waarin naar hartelust met machines en computers gespeeld kan worden, alles in zich. Dat het daarnaast ook nog eens in Kerkrade ligt, centrum van de oude Mijnstreek, verleent het een charmante meerwaarde. Het is aldus, zoals in de óók in het Kerkraadse dialect uitgegeven folder staat, geworden tot “e museum woa de lü va Kirchroa mit reët sjtoots op kanne zieë (een museum waar de mensen van Kerkrade met recht trots op kunnen zijn)”.

In de door een stoomlocomotief getrokken rijtuigen van de Zuid-Limburgse Stoomtrein Maatschappij, die sinds drie jaar het Miljoenenlijntje - de spoorverbinding tussen Schin op Geul en Kerkrade - toeristisch exploiteert, was de tocht die morgen begonnen bij het station in Simpelveld. Het is standaard dat bezoekers een kaartje voor deze vorm van vervoer inclusief een toegangskaartje voor het museum kunnen kopen. Het Miljoenenlijntje, dat zo wordt genoemd wegens het vele geld dat destijds voor de aanleg nodig was, eindigt zo wat op het voorplein van het Industrion, het museum voor industrie en samenleving, zoals het voluit heet. Daar ziet men de entree die met zijn rode stalen spanten lijkt op een anker.

Doel van Industrion is het collectioneren van industrieel erfgoed en het uitbeelden van wat er mee gedaan werd en in welke sociale context dat plaatsvond. Dat gebeurt in zogenaamde scènes waarvan er 27 zijn. De investering is 20,2 miljoen gulden. Per jaar worden 40.000 bezoekers verwacht. De totale oppervlakte is 13.700 vierkante meter waarin ook zijn begrepen de tuin en een ruimte voor wisseltentoonstellingen. “Het gevaar”, aldus Wouters, “was groot dat je alleen maar machines zou opstellen. Daarom hebben we de samenlevingsaspecten telkens in wit-zwarte wanden uitgebeeld”.

De eerste scéne verbeeldt de crisisstraat. Men ziet er in een van de wanden een éénkamerwoning waarin het meestal grote arbeidersgezin in de jaren dertig moest huizen. Er staan verder een pandjeshuis en een kroeg waar de bezoeker echt kan eten en drinken zoals de mensen uit die tijd deden. Er is een doorkijkje naar de Maastrichtse Stokstraat, waar de pottemennekes van de aardwerkfabrieken in armoedige omstandigheden leefden. Het oog wordt getrokken door een standbeeld van Petrus Regout (1801-1878), de Maastrichtse groot-industrieel die verguisd en geprezen werd. Aan zijn voeten wordt het keiharde credo van die tijd geprojecteerd: “Wie niet werkt zal ook niet eten”.

In het Industrion ging op het mijnmuseum dat tot die tijd was ondergebracht in het monumentale abdij van Rolduc. Directeur Jan Finger is nu hoofd publiekszaken en adjunct-directeur van het nieuwe museum. Daarin zijn dus als vanzelfsprekend ook scènes opgenomen die de tijd van de steenkolenmijnbouw verbeelden. Die tak van nijverheid bood in zijn hoogtijdagen aan 45.000 mensen direct werk. Men ziet in een mijngang een houwer aan het kolenfront bezig met de afbouwhamer. Bij de nadering draait de man zijn hoofd naar de toeschouwer en begint hij een verhaal te vertellen over het werken in de mijn. Verder kan men er de inrichting bekijken van een mijnwerkerswoning in de zogenaamde kolonie. Zo heette de wijk waarin de mijnwerkers samenwoonden.

Wat verderop is een uit Stadskanaal afkomstige metaalfabriek weer opgebouwd. Metaalarbeiders, deels afkomstig uit de mijnen, bedienen de machines. Verder wordt aandacht besteed aan de chemie, die uit de mijnen voortkwam en waarmee Limburg zich een plaatsje verwierf op de wereldmarkt. In een cyber centre is er de mogelijkheid om te stoeien met alle nieuwe verworvenheden van het einde van dit millennium.

In het Industrion in Kerkrade kan men de tijdgeest van vroeger en van nu horen, zien, voelen en betasten. Jammer alleen dat de reuk er niet bij geleverd wordt.

    • Max Paumen