Een krater in de waspoederberg; Tentoonstelling toont veelvormigheid van jonge beeldhouwkunst

Tentoonstelling: Mutatis Mutandis. Broerenkerk, Broerenkerkplein 27, Zwolle. Di t/m za 10-17 uur, zo 13-17 uur. T/m 24 juni. Catalogus ƒ 30,-. Info. Stedelijk Museum Zwolle (038) 498 20 72.

Volgens de letterlijke omschrijving is een beeldhouwwerk een beeld dat uit een harde stof (steen of hout) is gehakt. Maar sinds de marmeren en kalkstenen sculpturen uit de oudheid heeft de beeldhouwkunst zich ontwikkeld tot een uitdrukkingsvorm met vele verschijningen dekt de term nauwelijks nog de lading. Een beeld kan tegenwoordig ook geboetseerd, genaaid, gelast, gegoten, geassambleerd of bijeengeraapt worden, zo bewijst de tentoonstelling Mutatis Mutandis, profiel van een nieuwe generatie, die in de Broerenkerk in Zwolle te zien is. De Latijnse titel betekent zoiets als 'met de nodige veranderingen' en is toepasselijk voor een tentoonstelling die een beeld wil geven van de actuele stand van zaken in de beeldhouwkunst. Veel van de kunstwerken die in de voormalige kloosterkerk zijn neergezet, zou je beter kunnen omschrijven als installaties dan als sculpturen, ware het niet dat de dertien kunstenaars die deelnemen aan de tentoonstelling zich nadrukkelijk beeldhouwer noemen. Hun werken hebben geen eeuwigheidswaarde, maar zijn kwetsbaar en vergankelijk. De beelden zijn niet gemaakt van duurzame materialen als steen of staal, maar van textiel, waspoeder, piepschuim, huisvuil, was of klei. Om de conservering van de werken maken de kunstenaars zich niet druk, dat is een zorg die wordt overgelaten aan de musea of particulieren die het werk zouden willen kopen. Hun sculpturen zijn op te vatten als momentopnames, als reflecties op de tijdgeest of weergaven van persoonlijke gemoedstoestanden. Dat de werken nauwelijks verkoopbaar zijn, lijkt hen niet te interesseren.

Zo boetseerde Tom Claassen in natte klei forse objecten die geïnspireerd zijn op onderdelen van graafmachines. Maar in tegenstelling tot de krachtige metalen grijparmen, vallen zijn kleivoorwerpen bij de geringste aanraking al uit elkaar. Functieloos en kwetsbaar liggen ze op de kerkvloer, waar zich al kleine plasjes water hebben gevormd. De klei is gebarsten en afgebrokkeld en het is de vraag of de beeldhouwwerken het einde van de tentoonstelling wel halen. Ook het werk van Martina Florians wordt al tijdens de tentoonstelling gedeconstrueerd. Zij plaatste drie oude stoelen op een rijtje, waarover ze enkele dunne latjes drapeerde. Onder een van de stoelen heeft Florians de inhoud van een aantal pakken waspoeder uitgestort. Een woest draaiend ventilatortje heeft al een diepe krater in de witte berg geslagen en graaft zich vrolijk een weg in het fijne poeder. Florians' werk is allesbehalve esthetisch of bekoorlijk. De kunstmatige geur van het waspoeder is penetrant en de kleine rondvliegende deeltjes slaan op je keel. Welke gedachte de kunstenares met haar werk ook wil overbrengen - volgens de catalogus relativeert het beeld persoonlijke omstandigheden en toont het de betrekkelijkheid ervan aan - bij de toeschouwer roept het alleen maar ergernis op.

De samensteller van Mutatis Mutandis, kunstrecensent Wim van der Beek, ziet de tentoonstelling als een logisch vervolg op Het Grote Gedicht, het overzicht van de na-oorlogse Nederlandse beeldhouwkunst dat vier jaar geleden in de Grote Kerk in Den Haag te zien was. Naast de jongste deelnemers aan die tentoonstelling, Merijn Bolink en Tom Claassen, selecteerde Van der Beek elf andere jonge kunstenaars waarvan hij denkt dat zij de beeldhouwkunst in de eerste decennia van de volgende eeuw zullen bepalen. De vraag die hij zich daarbij stelde was hoe deze generatie omgaat met de razendsnel veranderende samenleving. Het resultaat is weinig hoopvol: veel van de werken zijn tamelijk inhoudsloos, lichtvoetig en bovendien niet erg esthetisch. Uitzonderingen vormen de amorfe en zielloze lichamen van Karin Arink en de vreemdsoortige vruchten van Jan Eric Visser die hij maakte van afvalmaterialen als kranten, folders, huisvuil en kaarsvet.

Veel kunstenaars proberen de toeschouwer te verleiden met flauwe beeldgrapjes, zoals Merijn Bolink die de illusie wekt dat een stuk van een slangenlijf en een boomstronk langzaam vloeibaar worden en zo in elkaar overgaan, zoals dat ook wel gebeurt in sciencefiction films. Het is grappig om te zien en knap in elkaar geknutseld, maar het imponeert niet. Het enige beeld dat echt indruk maakt en bovendien goed tot zijn recht komt in de hoge kerkruimte, is Skyscraper van Carel Lanters. Dit futuristische model voor een wolkenkrabber, een sierlijke vrouw met een vaas op haar hoofd, meet viereneenhalve meter en is opgebouwd uit 222 lagen piepschuim van twee centimeter dik. De vrouw heeft veel weg van een tot leven gekomen computeranimatie. Waar je je ook in de ruimte begeeft, haar ogen lijken je te volgen. Dat doen ze dan ook letterlijk, want de figuur draait langzaam rond op een draaischijf. Eén rondje duurt vierenveertig minuten, om precies te zijn.

    • Sandra Smallenburg