Dood en begraven

Op 14 april ontdekte de bemanning van het zeeschip 'Magic' na aankomst in de Merwedehaven een dode verstekeling. In de kleding van de man vond de Rivierpolitie een document dat de naam vermeldde van Mcaza Mohamedi Mgoi, geboren 6 januari 1974 in een dorp in Tanzania. Het document was een Zuidafrikaanse verblijfsvergunning voor drie maanden.

Kort voor de vergunning ten einde liep, moet Mgoi zich aan boord van de 'Magic' hebben verborgen, in de hoop dat hij in Europa een nieuw leven zou kunnen beginnen. De politie waarschuwde justitie, die contact opnam met de ambassade van Tanzania in Brussel zodat familie in Tanzania of elders zou kunnen worden gewaarschuwd. Omdat nasporingen geen resultaat opleverden, is de verstekeling op kosten van de Rotterdamse agent van de rederij van de 'Magic' op 1 mei begraven op de algemene begraafplaats Crooswijk. Onder de 'fictieve naam' van Mcaza Mohamedi Mgoi, zegt een medewerker van de Rotterdamse Sociale Dienst. Want het is niet zeker dat de Zuidafrikaanse verblijfsvergunning voor hem gold - de verstekeling kan het document van iemand anders hebben gekregen, of gestolen.

De Sociale Dienst begraaft elk jaar zo'n honderd doden in Rotterdam. Het betreft soms vereenzaamde mensen die geen directe familie meer hebben. Vaker gaat het om mensen wier familie niets met vader of moeder of kind meer te maken wil hebben. Jean Paul Booy van de afdeling van de Sociale Dienst die met de uitvoering van de Wet op de lijkbezorging is belast: “Als eerstegraadsverwanten, zoals kinderen of ouders, zich niet om de overledene bekommeren, zorgen wij voor een begrafenis, zo goedkoop mogelijk, maar netjes. 'Die etterbak kan ons niks verdommen', krijgen we vaak te horen. Een keer spoorden we een dochter van een overleden man op. Zij zei: 'Mijn vader zei: als ik dood ben stop je maar een worst in m'n reet, dan trekken de honden me wel weg.' Dat schijnt een Rotterdamse uitdrukking te zijn.”

In de meeste gevallen ontruimen de betrokken medewerkers van de Sociale Dienst ook de woning van de overledene en wikkelen ze de nalatenschap af. Jean Paul Booy, die dit werk ruim acht jaar doet: “Soms verwerpen familieleden die niks met de overledene te maken willen hebben ook de nalatenschap. Soms accepteren ze die wel en dan kunnen we af en toe die drieduizend gulden voor een begrafenis bij hun declareren. Als er tenminste iets van waarde wordt aangetroffen, spaargelden, bankrekeningen of waardevolle voorwerpen die via het venduhuis van de notarissen kunnen worden verkocht. Maar meestal is het drie keer niks.”

Booy en zijn collega's gaan op rubberen laarzen de meestal verwaarloosde en vervuilde woningen van de overledenen binnen om hun nasporingen te verrichten. “Daarna kan de gemeentereiniging het leeg scheppen.” Volgens Booy is elke situatie weer anders. “Soms vind je vuurwapens, of verdovende middelen. Ooit gingen we het huis in van een oud vrouwtje dat was overleden en kind noch kraai had. Ze woonde sinds de oorlog in haar eigen huisje dat vol stond met heel oude spulletjes, alles dik onder het stof. Omwonenden kenden haar wel, ze leek arm, want ze ging altijd naar de markt om etenswaar te rapen die kooplui hadden achtergelaten. We vonden een spaarbankboekje waaruit bleek dat ze een keer per jaar een vast bedrag opnam, om van te leven: 7.500 gulden. Het spaartegoed bedroeg meer dan een half miljoen gulden. En er was ook testament. De erfenis, in totaal zeven ton, ging naar de vrijmetselarij.”

Als de identiteit van de overledene niet met zekerheid kan worden vastgesteld, heeft de begrafenis anoniem plaats, onder een nummer. Bij 383 in vak CC van de begraafplaats Crooswijk is de aarde nog kaal.

Er staat een blik met verlepte bloemen. Hier ligt het stoffelijk overschot van een man uit Tanzania. Er is geen naam en geen grafsteen. In het register van de portier heet hij Mgoi.