CDA is te afhankelijk van het middenveld

Het zit het CDA niet mee. Na aanvankelijk redelijke scores in de peilingen, bleek Nederland toch nog niet zoveel vertrouwen in de nieuwe koers van Helgers en de zijnen te hebben. In de partij is de klap hard aangekomen en er is direct een onderzoek begonnen naar de mogelijke oorzaken. Met de analyse van Hans Hillen (NRC Handelsblad, 16 mei) ben ik het slechts ten dele eens.

Hillens constatering dat veel van het economische succes van Paars I is te danken aan het werk van het CDA in voorgaande jaren, is op zich juist. Maar hij vergeet daarbij te erkennen dat nadelige gevolgen van dit beleid, inclusief individualisering van vrijheid en collectivisering van verantwoordelijkheid, dan óók ten dele op het conto van het CDA geschreven moeten worden. Het armer worden van de armen en het rijker worden van de rijken, is geen uitvinding van Kok en de zijnen. Ook ten tijde van de kabinetten-Lubbers werd hierover, niet altijd ten onrechte, geklaagd. Sterker nog, toen is wèl tegen de armoede gedemonstreerd.

Hillens sneer naar de SER en het CPB lijkt mij niet op zijn plaats, want mensen als Ruud Lubbers en Bert de Vries waren rekenmeesters bij uitstek, die beleid bepaalden met een rekenmachine. De socialere koers van het CDA mag dan ook met recht een trendbreuk genoemd worden.

Dat een nieuwe koers om nieuwe Kamerleden vraagt, is door Helgers juist ingezien. De keerzijde van de vernieuwing kan zijn dat veel, vooral traditionele, CDA-kiezers zich niet voldoende herkenden of in het geheel geen vertrouwen hadden in deze 'nieuwlichters'. Zij bleven wellicht daarom thuis of kozen voor een andere partij. Het zetelverlies lag niet alleen aan de onbekendheid en onervarenheid van de lijsttrekker, die het tegen het in alle opzichten 'gearriveerd leiderschap' van Kok en Bolkestein moest opnemen, zoals Hillen stelt.

Een andere oorzaak van het voortgaande verlies van het CDA kan gelegen zijn in de campagne zelf. Hillen suggereert dat uit Nieuwe wegen vaste waarden en het verkiezingsprogramma de 'manifesten' logisch voortvloeiden. Dat is een misverstand.

Het verkiezingsprogramma is door de partij vastgesteld. Het verkiezingsprogramma was een authentiek verhaal, waarmee het CDA een geheel eigen boodschap liet horen, die een koersverlegging naar links betekende. Maar wie dacht dat het CDA daarmee de verkiezingen inging, had het mis. Want plotseling werden enkele 'manifesten' uit de hoge hoed getoverd. Deze waren niet door de partij vastgesteld en hadden dus geen enkele status. Toch werden deze manifesten, die een aanzienlijk 'rechtsere' geest ademden dan het verkiezingsprogramma, als gelijkwaardig daaraan in de strijd geworpen. Blijkbaar had de CDA-top niet genoeg aan een links georiënteerd verkiezingsprogramma maar poogde hij ook het meer 'rechtse' deel van het electoraat te bedienen. Kiezers die hun keuze baseren op het lezen van partijprogramma's en het volgen van de media, zijn zo door het CDA flink in de war gebracht. Tevens mislukte de poging om de VVD rechts in te halen op de law and order issues jammerlijk.

Deze onduidelijkheid komt voort uit een richtingenstrijd binnen het CDA tussen een behoudende en een vooruitstrevende vleugel. Rechtse houwdegens als Wim van de Camp en Hillen zelf, hebben grote invloed, terwijl Helgers meer de 'linkse' vleugel vertegenwoordigt. Het leek alsof de partijleiding haar eigen vernieuwingsstreven niet vertrouwde, of er - een oude reflex - op meer dan één paard gewed moest worden.

Deze richtingenstrijd hangt samen met het volgende probleem, dat het hart van het CDA zelf raakt en waar Hillen met een grote boog omheen loopt. Terecht heeft het CDA de marktideologie van het paarse kabinet aangevallen. Hier tegenover stelt de partij de ideologie van het maatschappelijk middenveld. Het CDA is niet zozeer een politieke partij met een eenduidige structuur en een duidelijke boodschap, maar een conglomeraat van meer of minder sterk georganiseerde belangen, die alle op de een of andere wijze bevredigd moeten worden. Het gevolg is dat alle CDA-standpunten per definitie berusten op interne partij-compromissen. Nu komt compromisvorming bij alle partijen voor, maar het CDA heeft zich dermate sterk afhankelijk gemaakt van het middenveld, dat van vrije ideeënvorming nauwelijks sprake kan zijn.

Wat nauwelijks tot het CDA lijkt door te dringen, is dat het maatschappelijk middenveld in die partij geïnteresseerd is zolang het CDA iets te verdelen heeft. En omdat dat nu niet het geval is, hebben de belangengroeperingen zich allang van de partij afgewend en zich tot de paarse partijen gekeerd. Binnen het CDA geldt het maatschappelijk middenveld als meer dan het botte verdedigen van gevestigde belangen. Maatschappelijke groeperingen zouden niet alleen hun eigen belang maar ook het algemeen belang in het oog houden. Dat de maatschappelijke groeperingen het eigen belang feilloos met algemeen belang weten te verwarren, mag binnen het CDA niet hardop gezegd worden. Dat is vloeken in de kerk.

Wat het CDA, wil het als politieke partij overleven, moet doen, is het opengooien van de ramen om nieuwe invloeden een kans te geven die zich niet bangelijk ten opzichte van nog steeds binnen de partij machtige, gevestigde belangen durven op te stellen. Op die manier krijgen mensen als Jacques de Milliano de kans om een nieuw, authentiek christen-democratisch geluid te laten horen. Want de christen-democratie heeft een eigen verhaal en een eigen boodschap. En die boodschap beperkt zich niet tot bekrompen gelovigen en bange belangenbehartigers, maar is actueel en voor ieder die dat wil, toegankelijk.

Helgers beseft dat de vernieuwing van de fractie en de boodschap hand in hand gaan en hij werkt hard aan veranderingen. Maar om te slagen, moet hij nog met een aantal geesten uit het verleden afrekenen. Het is de vraag of hij bereid en in staat is tot het uiterste te gaan en het maatschappelijk middenveld van het CDA los te koppelen.