Beperken van fondswerving is niet nodig; Stel plafond vast voor politieke tv-reclame

Na eerst de verkiezingscampagne te hebben doorgenomen komt in het laatste gedeelte van het artikel van Hans Anker (NRC Handelsblad, 6 juni), de aap uit de mouw. Anker wil een wet “om het unieke karakter van Nederlandse verkiezingscampagnes te behouden.”

De ondergeschikte rol van geld, de dominantie van vrije publiciteit en de sterke nadruk op inhoudelijk beleid mogen volgens Anker niet verloren gaan. Een wet moet daarom voorwaarden aan fondswerving stellen en televisiezendtijd reguleren.

Dat Anker de nadruk op de inhoud wil beschermen is nobel, maar uit zijn mond klinkt het een beetje potsierlijk. Hij was de campagnestrateeg van de PvdA bij de laatste verkiezingen. Onder zijn leiding zette de PvdA alles op het vertrouwen dat premier Kok inboezemt. De PvdA zei daarnaast voornamelijk erg vaak dat de partij 'sterk en sociaal' is. Hoezo inhoud?

Campagneleiders trachten de eenvoudige en aantrekkelijke boodschap van hun partij zo vaak mogelijk te herhalen, zodat het flink in de hoofden van mensen wordt geramd - priming heet dat, in hun jargon. De nadruk op inhoud lijkt mij dan ook vooral gebaat bij een wet tegen Anker en zijn collega-campagneleiders.

Het zou flauw zijn om Ankers boodschap direct van de hand te doen. Maar wat bedoelt hij precies met 'televisiezendtijd reguleren'?

Aan de zendtijd voor politieke partijen valt in Nederland niet veel te verbeteren. Meer zou saai zijn en kijkers afstoten, minder zou het nut wegnemen. In Nederland krijgen - in tegenstelling tot de ons omringende landen, waar de verdeling proportioneel is - alle partijen voorafgaand aan verkiezingscampagnes evenveel gratis zendtijd. Dat is gezien onze lage kiesdrempel (0,67 procent) logisch, dus dat moet zo blijven.

Misschien bedoelt Anker dat een campagnewet de inhoud van de journalistieke programma's op de televisie moet regelen. Dat gebeurt bijvoorbeeld in Frankrijk en Italië. Strenge regels schrijven de publieke en commerciële zenders voor dat elke politieke partij evenveel tijd moet krijgen. Als ze het niet goed doen, krijgen ze op hun kop van de lokale variant van het Commissariaat voor de Media.

Dit soort regelneverij is het gevolg van een traditioneel grote politieke invloed op de media. In Italië wordt nog altijd gewoontegetrouw na een politieke wisseling van de macht ook het bestuur van de publieke omroep (RAI) aangepast. Logisch dat je dan regels wilt.

In Noord-Europese landen is die politieke invloed op de media ondenkbaar. Regels voor gebalanceerde berichtgeving zijn er dan ook nauwelijks. Duitsland volstaat met het 'evenwichtigheidsprincipe' - alle partijen van belang verdienen een gelijke behandeling. De BBC noemt dat in haar eigen handvest fair and balanced.

Meer is niet nodig en meer is niet wenselijk. De publieke omroep heeft een onafhankelijke positie en de zendgemachtigden garanderen een interne pluriformiteit. De marktwerking zorgt er bovendien voor dat zenders niet al te politiek geëngageerd zijn. Geen enkele publieke of commerciële zender wil immers te veel kijkers van zich vervreemden. Maar bovenal zouden regels een aantasting van de journalistieke vrijheid en verantwoordelijkheid betekenen.

Het beperken van fondswerving door politieke partijen, waar Anker ook voor pleit, ligt gecompliceerder. Eerder heb ik betoogd dat politieke reclame aan banden moet worden gelegd om een wedloop te voorkomen. Het belang van reclame, en daarmee van fondswerving, zal in de toekomst zeker toenemen. Partijen met meer mogelijkheden tot fondswerving (en dus met een dikkere portemonnee) zijn dan in het voordeel. Dat is niet erg democratisch.

Het is mogelijk fondswerving te beperken, maar het is niet nodig en niet logisch. Immers, het gaat er niet om hoeveel geld een partij heeft, maar wat ze ermee doet. Veel logischer en gemakkelijker is het om een 'campagneplafond' in te stellen. Politieke partijen mogen dan maar een bepaald aantal spotjes op radio en televisie kopen. In Canada en Polen bestaat zo'n regel en die werkt goed.

Er zijn nog meer voorbeelden te noemen van regels die andere landen opgesteld hebben om campagnes eerlijk en inhoudelijk interessant te houden. Niet te veel nadruk op de zittende regering, directe wederhoor bij persoonlijke aanvallen of een bredere en gereguleerde aanpak van de lijsttrekkersdebatten zijn enkele opties die onder meer door de BBC geëxploreerd zijn. Dit zijn echter meestal interne gedragscodes, want de verslaggeving van verkiezingen blijft de verantwoordelijkheid van de media. Niet van de wetgever.

Een uitzondering zou misschien gemaakt moeten worden voor de steeds prominentere rol die opiniepeilingen spelen in verkiezingscampagnes. In het buitenland worden soms maatregelen genomen om de groeiende invloed van peilingen op kiezers te beperken. In Frankrijk (een week), Luxemburg (een maand) en veel Oost-Europese landen bestaat een regel die het de media verbied om kort voor de verkiezingen peilingen te publiceren.

Tijdens de laatste campagne in Nederland werd weer duidelijk hoezeer de media gericht zijn op de vraag wie voor ligt, wie achter ligt en wie waarschijnlijk gaat winnen. Een regel zoals in Frankrijk valt dan ook te overwegen. Media zullen protesteren tegen muilkorverij en opmerken dat het publiek geen informatie mag worden onthouden. Op zich juist, maar weegt het voordeel niet op tegen het nadeel?

Regels om politieke reclame en de dominantie van opiniepeilingen te beperken, zijn welkom. Regulering van televisiezendtijd is onnodig en onwenselijk in een onafhankelijk en pluriform medialandschap, waar de ongeschreven regels van recht op wederhoor en gebalanceerde berichtgeving worden gerespecteerd.