Arabische eenheid blijft verbaal

Arabische eenheid leek naderbij te komen. Maar het houden van een Arabische top, nu het vredesproces in coma ligt, bleek toch te veel gevraagd.

AMSTERDAM, 15 JUNI. Eindelijk leek het de Arabische Natie weer wat beter te gaan. Zelfs de Amerikaanse regering verborg niet langer haar irritatie en woede over het voortdurende 'nee' van Israels premier Netanyahu tegen de door Washington geformuleerde ideeën 'om het vredesproces te redden'. Rusland, jarenlang bijna onzichtbaar op het Midden-Oosten-toneel, kwam weer geleidelijk terug als concurrent van de VS.

Het Iran van president Khatami stelde zich ten aanzien van de Arabische gevoeligheden vriendelijker op dan voorheen. De terugkeer in de Arabische gelederen van het Irak van Saddam Hussein werd zelfs door zijn ergste vijanden in de Golfstaten achter de schermen overwogen. En de Pakistanen kwamen met hun 'islamitische atoombom', die misschien ooit nog eens tegen Israel van pas kan komen.

Al die verschuivingen leidden tot het gevoel dat men niet meer helemaal naar Amerika's pijpen hoefde te dansen, zoals nog maar enkele jaren geleden. Genoeg reden dus om de zo lang gezochte Arabische eenheid met een mini-topconferentie een nieuwe impuls te geven. Maar juist toen die eenheid wat naderbij leek te komen, glipte zij voor de zoveelste maal weg. Want zij die zich uitspraken voor een Arabische minitop, bleken totaal tegenstrijdige doelen te beogen.

De eerste die met het idee kwam, was Yasser Arafat. Vanouds pleit hij een paar keer per jaar voor een Arabische topconferentie om de Palestijnse eisen meer kracht bij te zetten. Nu het vredesproces in coma ligt, is een Arabische top die concrete besluiten neemt hoe men verder moet gaan, niet meer dan logisch. Maar welke beslissingen moest die nemen?

Syrië bij voorbeeld was aanvankelijk zeer geporteerd voor een Arabische top. Het partijblad Al-Ba'ath legde uit wat er moest gebeuren: “de opschorting en vernietiging van àlle relaties en vormen van normalisatie (met Israel)”. En vice-president Abdel-Halim Khaddam zei voor de televisie: “Een Arabische topconferentie nam in 1996 resoluties aan. Die legden ondubbelzinnig vast dat, als de Israelische regering niet zou terugkomen op haar verkiezingsprogramma en haar politiek, de Arabische landen, en met name zij die banden hebben met Israel, deze banden zouden heroverwegen, en de Arabieren hun vroegere, alomvattende boycot van Israel weer zouden instellen.”

Dat nu is precies wat Arafat, de Jordaanse koning Hussein en de Egyptische president Mubarak niet willen doen. Arafat en Mubarak zouden dolgraag zien dat de Arabische landen hun relaties met Israel verbreken. Voor zichzelf bedingen zij echter een uitzonderingspositie. Inwilliging van de Syrische eis betekent immers dat Arafat de overlijdensacte van het vredesproces zou moeten tekenen, en dat Mubarak en koning Hussein de door hen aangegane verplichtingen bij hun vredesverdragen met Israel ongedaan zouden maken.

Geen van de drie wil met die Zwarte Piet worden opgezadeld. Zij worden daarin gesteund door staten als Marokko, Qatar en Oman, die weliswaar hun politieke contacten met de Israelische regering hebben bevroren, maar hun economische relaties met Israelische bedrijven hebben aangehouden. Ook Saoedi-Arabië, dat voortreffelijke relaties met Syrië heeft, vond de door Damascus geformuleerde eisen te ver gaan.

Syrië had de afgelopen tijd steeds scherpere kritiek geuit op het Palestijnse Gezag van Arafat en op Jordanië, omdat zij afzonderlijke afspraken met Israel hadden gemaakt zonder de andere Arabieren (lees: Syrië) daarin te kennen. De relaties werden zo zuur, dat Saoedi-Arabië en Egypte discreet tussenbeide kwamen. Met succes: president Hafez al-Assad kwam tot de conclusie dat een Arabische minitop pas kan worden gehouden “na goede voorbereiding en met vastgestelde doelen”. Bovendien “moeten er garanties zijn dat alle Arabische landen die resoluties ook zullen uitvoeren”.

Die voorwaarden betekenen in de praktijk uitstel van de minitop tot St Juttemis. Dat komt vele Arabische staten zeer goed uit, zoals een paar dagen geleden in feite door Arafat zelf werd bevestigd. In een vraaggesprek met de Spaanse televisie zei hij: “De meeste mensen die ik ontmoet heb, maar niet allen, zijn vóór het bijeenroepen van een topconferentie.”

Syrië is de laatste tijd veel zelfbewuster geworden. Wijzend op het doodgelopen vredesproces verkondigen de Syriërs voortdurend: “Hebben we niet altijd gezegd dat al die concessies van Arafat en Hussein tot een rampzalige capitulatie leiden?” SANA, het officiële Syrische persagentschap, wond er geen doekjes om. Het schreef: “Wij hebben niet zozeer een nieuwe top nodig, als wel een helder politiek standpunt om hen die zich vergist hebben op hun schreden te doen terugkeren.”

Nog maar een maand geleden was men in Damascus buitengewoon nerveus over het Israelische voorstel om Zuid-Libanon te verlaten, in ruil voor een toezegging van de Libanese regering dat zij de rust aldaar zal handhaven. Het idee leek zo gek nog niet: het zou rust kunnen brengen aan het Libanees-Israelische front en daardoor de kans op een nieuwe oorlog in dat gebied verminderen. Maar intussen is Netanyahu internationaal zó ongeloofwaardig geworden, dat zijn voorstellen door anderen niet serieus worden genomen. Syrië kan dus gerust zijn: het zal door zijn ferme afwijzing van het Israelische plan niet geïsoleerd worden en zijn 'ondeelbare lotsbestemming' met Libanon kunnen handhaven.

De hernieuwde Russische leveranties van geavanceerde wapens (antitank- en luchtdoelraketten) hebben Damascus moed gegeven. Tot 1989 kreeg Syrië zijn belangrijkste wapens van de Sovjet-Unie. Toen besloot president Gorbatsjov aan deze verkopen op krediet een einde te maken, zolang Syrië zijn uitstaande schuld van tien tot twaalf miljard dollar niet had voldaan. In 1991 kreeg Syrië, als dank voor zijn aandeel in de bevrijding van Koeweit, anderhalf miljard dollar van de Saoediërs, teneinde een luchtafweer-rakettensysteem te kopen. De Russen weigerden echter te leveren omdat de schulden nog steeds niet waren afbetaald. Vanaf 1994 leverden zij wel reserve-onderdelen, maar geen wapensystemen.

Twee jaar geleden wijzigde Moskou echter zijn politiek. Hoewel het de Syrische schuld niet kwijtschold, was het bereid om nieuwe ultra-moderne wapens tegen contante betaling te leveren. De recente wapenorder past in die politiek. De Russische ambassadeur in Damascus onderstreepte vorige week dat het probleem van de nog bestaande schuld over niet al te lange tijd zal worden opgelost. Hij bevestigde dat een groot aantal Russische militaire deskundigen in Syrië aanwezig is, en dat Syrische en Russische troepen in Rusland gemeenschappelijke militaire oefeningen hebben gehouden. Dit alles omdat “Moskou de Syrische defensiecapaciteiten wil versterken”.

Onder die omstandigheden wil Syrië minder dan ooit onder het Amerikaans-Israelische vredesjuk door. “De Arabieren beschikken over rijke hulpbronnen, die hen in staat stellen hun wil en hun politieke beslissingen aan anderen op te leggen. Zij moeten die gebruiken”, zei onlangs een hoge Syrische regeringsfunctionaris.

Het is een oude en vertrouwde zienswijze van het Arabische nationalisme, die ook elders in de Arabische wereld opnieuw steeds luider wordt verkondigd. Maar, als vanouds, wil geen enkele Arabische leider die mooie theorie vooralsnog in daden omzetten.

    • Michael Stein