Westen huivert bij China-syndroom

De koersval van de Japanse yen stelt de vastberadenheid van China om zijn munt stabiel te houden zwaar op de proef. De Westerse beurzen huiveren bij de keuze tussen een Japanse depressie of een devaluatie door China en Hongkong.

AMSTERDAM, 13 JUNI. Het China-syndrome werd het in de jaren zeventig genoemd: de angst voor een ongeluk in een Westerse kerncentrale waarbij de kern door een ontstuitbare kettingreactie zo heet wordt dat hij door de aarde smelt en bij wijze van spreken aan de andere kant, in China, weer boven komt. De vrees voor net zo'n onstuitbare kettingsreactie beheerste deze week de financiële markten. Komt de Azië-crisis via China of Japan uiteindelijk toch in het Westen terecht?

Terwijl het afgelopen jaar het ene na het andere land in Azië bezweek onder de ergste financiële crisis van de laatste decennia, weerstonden China en zijn satelliet Hongkong tot nu toe als enige de druk om hun munten te devalueren. In het Westen werd het instorten van de munten, aandelenkoersen en economie van Maleisië, Thailand en Indonesië vorig jaar aanvankelijk nog beschouwd als een lokaal verschijnsel. Toen tegen het jaareinde ook het veel belangrijker Zuid-Korea bezweek was de reactie al bezorgder. Maar zolang China en Hongkong niet ten onder gingen konden de VS en Europa de eigen schade beperkt houden. Sterker nog: de vraaguitval in Azië veroorzaakte zo'n neerwaartse druk op de inflatie in het Westen, dat die ruim opwoog tegen het deukje dat het bedrijfsleven in zijn winstvooruitzichten opliep. Omdat haastig teruggekeerd kapitaal zijn toevlucht zocht in Westerse aandelen en obligaties, gingen de beurzen er dankzij de Azië-crisis ironisch genoeg extra op vooruit.

Nu de Azië-crisis haar tweede fase is ingegaan, wordt dat vertrouwen op de proef gesteld. Houden China en Hongkong ook ditmaal stand? Hoe belangrijk zij voor het Westen zijn, bleek in oktober vorig jaar. De aandelenkoersen in Europa en de Verenigde Staten hadden tot dan toe nauwelijks gereageerd op de Azië-crisis, die in juni begon. Maar toen in oktober de Hongkong-dollar ook dreigde te bezwijken veroorzaakte dat een bijna-krach op Wall Street en in de Europse financiële centra.

De huidige tweede fase van de Azië-crisis is vooral ingeluid door de regionale economische grootmacht Japan, waarvan de economie dramatisch verslechtert. Gisteren werd bekend dat Japan zijn eerste daadwerkelijke recessie doormaakt sinds de nasleep van de eerste oliecrisis in 1974-1975. Als in 1990 de prijzen van aandelen en vastgoed instorten is Japan verzeild geraakt in een spiraal van stagnatie en deflatie. Stimuleringspakketten, waarvan het jongste 230 miljard gulden groot is, lijken niet te helpen en het verder verlagen van de rente, die nu 0,5 procent bedraagt, is geen optie meer.

Vandaar dat er volgens veel economen nog maar één oplossing is: het pompen van geld in de economie, en het laten depreciëren van de Japanse yen. Hoewel de Verenigde Staten er traditioneel beducht voor zijn dat Japan zich wederom uit de problemen exporteert, heeft het er alle schijn van dat de recente koersdaling van de yen de goedkeuring draagt van Washington.

Pagina 19: Na dollar, nu de yen 'verwaarloosd'

Op de valutamarkt circuleren al prognoses van een yenkoers van 160 of zelfs 180 per dollar om de Japanse economie te herstarten. Dat is wat anders dan in 1995. Toen leidde een conflict over het Japanse handelsoverschot ertoe dat de Amerikanen, met een politiek van benign neglect (stilzwijgende verwaarlozing) van de dollar, de valutamarkt de koers van de yen lieten opdrijven tot 80 per dollar. Nu wijst veel op het omgekeerde: een benign neglect van de yen.

De Japanse munt is ten opzichte van begin dit jaar al met tien procent gedaald, en ten opzichte van zijn piek in april 1995 met 43 procent. Deze week zag de valutahandel vergeefs uit naar Amerikaanse woorden van steun voor de yen. Donderdag drukte minister van Financiën Robert Rubin weliswaar zijn bezorgdheid uit over de vallende yenkoers, maar zei daar meteen bij dat het herstel van de Japanse economie het belangrijkst was. Daarop bereikte de Japanse munt met 144,50 yen per dollar zijn laagste koers sinds 1990.

De geplaagde munten in de rest van Azië zijn inmiddels in harmonie met de yen nog dieper gevallen. Dat maakt het voor China steeds moeilijker om te concurreren. Ogenschijnlijk is dat een luxe-probleem: de export groeit nog steeds, en officieel wordt er dit jaar een economische groei verwacht van zo'n 8 procent. China heeft echter ook forse groei nodig om het groeiend aantal werklozen uit de staatssector op te vangen, de exportgroei loopt inmiddels terug en er zijn tekenen van flinke voorraadvorming die de economische groei mooier doet lijken dan hij is.

De officiële devaluatie van de Chinese yuan in januari 1994 - volgens veel analisten een diepliggende oorzaak van de Azië-crisis van vandaag - is inmiddels door de daling van de overige Aziatische munten en de yen al meer dan teniet gedaan. De Chinese centrale-bankpresident Dai Xianglong waarschuwde Japan gisteren openlijk om de yen niet verder te laten dalen, en de Chinese belofte om de yuan niet te devalueren klinkt minder hard dan voorheen.

Er is één belangrijk verschil tussen China, Hong Kong en de rest van Azië. De andere landen in de regio werden door druk van de financiële markten gedwongen hun munten te laten depreciëren. China heeft daarentegen een ijzeren greep op de yuan, en Hong Kong heeft een currrency board waarmee de Hong Kong-dollar automatisch aan de dollar is verbonden. China heeft daarbij met ruim 140 miljard dollar na Japan de omvangrijkste deviezenreserves ter wereld, en wordt gevolgd door Hong Kong met 96 miljard.

Een devaluatie van de yuan en de Hong Kong dollar is dus geen kwestie van moeten, maar van willen. Aan Washington de taak om de verwaarlozing van de yen in de hand te houden. Japan en zijn wankele banksector vormen een groeiende bedreiging voor de financiële stabiliteit in het Westen. Maar als de Chinese wil om te devalueren te sterk wordt, smelt het Azië-probleem evengoed zijn weg naar de andere kant van de aardbol.