Spookplanten

Op mijn volkstuin schijnt een nachtegaal te huizen, maar ik heb hem nooit gehoord. Eigenlijk heb ik mijn hele leven nooit een nachtegaal gehoord; toen ik op de lijst van in de tuinen gesignaleerde vogels zag dat er nu al twee jaar achter elkaar een gezien - of gehoord - is, overwoog ik gewoon te blijven wachten tot ik hem ook hoorde. Als ik maar lang genoeg wachtte zou hij naar mijn tuin komen, en zingen, en dan zou ik kunnen dromen van het warme zuiden en 'the weariness, the fever and the fret' vergeten.

Niet dat er een nachtegaal nodig is om mij aan het zuiden te herinneren; een groot deel van mijn volkstuin is zuidelijk, overdrachtelijk gesproken, met karakteristieke mediterrane groentes als courgettes, paprika's, aubergines en tomaten. Bijna alle tuinplanten komen uit exotische plaatsen zoals China, Nieuw Zeeland, Zuid-Afrika, Zuid-Amerika, maar deze - rozen, hydrangea's, dahlia's, lobelia's - zijn in Europa al zo lang inheems dat ze nauwelijks meer aan de plaats van hun oorsprong herinneren; je denkt niet aan een lommerrijk Chinees struweel wanneer je een hortensia ziet. Onze papaja's en pisangs binnenshuis doen nauwelijks meer aan Indonesië denken dan een prentbriefkaart, hun omgeving is nu eenmaal te Europees.

Maar die groentes, vooral op een hete dag, herinneren werkelijk aan het zuiden. De courgettes bijvoorbeeld, een soort genaamd 'Ronde de Nice', gekweekt uit werkelijk uit Nice meegebracht zaad, hebben een sterke geur - nooit eerder gemerkt dat de planten zelf naar courgette ruiken - die aan je handen blijft hangen. Ik had de mijne thuis gezaaid en terwijl ik ze de trap af droeg om ze buiten af te harden, ving ik er een zo sterke vleug van op dat ik wegzweefde naar Franse markten en Italiaanse restaurants.

Tomaten zijn vrij gemakkelijk van zaad tot vruchtproductie te kweken. De enige die ik nu verlies zijn degene die ik vertrap of laat vallen. Dat gebeurt me nog wel en dan ben ik dankbaar dat het meeste tuinieren in afzondering plaatsheeft; maar de courgettes overleven niet altijd het kritische stadium van uitgeplant worden op de volkstuin. Dit jaar laat ik ze wat langer uitharden, maar er moet een groter verschil zijn tussen de levensvoorwaarden in onze ommuurde tuin en de naakte bedden op de volkstuin. Een andere mogelijkheid zou zijn ze onder een of andere folie te houden, om zo een klimaat te creëren dat wat meer op dat van Nice lijkt.

Elk jaar op de Pasar Malam in Den Haag bezoek ik de stand van de exotische kwekerij Xotus, en dan koop ik daar kangkoengzaad: eigenlijk te laat, het zaaien zou beter in mei kunnen gebeuren. Dit jaar ging ik eindelijk tijdig naar Xotus zelf (Middelweg 1, 2616 LV Delft, 015 214 6667), en mijn kangkoengzaad zit nu al twee weken in de grond. Iedereen die maar een beetje last heeft van tropenwee raad ik aan naar Xotus te gaan met een vrachtauto: de keuze is onvoorstelbaar. We kwamen thuis met veel meer dan we van plan waren geweest te kopen - koffie, melati en zelfs een witte tjempaka - afgezien van Spaans en Italiaans pompoenzaad en het zaad van de kangkoeng; en ook, ik hoop dat dat niet een te erge vergissing zal blijken, het olijfboompje.

Olijfplantje zou een beter woord zijn, het is maar een heel klein struikje. Op de kwekerij hadden ze grote bomen, oude exemplaren, bedekt met olijfbloemen. Die waren nog verbazender dan de tropische planten. Dat een olijfboom in een plastic pot in Delft vrucht kon dragen, leek nauwelijks minder dan een mirakel.

De enige serieuze informatie die ik bij thuiskomst over Olea europea kon vinden stond in een oude Winkler Prins: 'De olijfboom', zo werd daar met stelligheid bevestigd, 'vraagt droge lucht, veel zon en weinig wind.' Niet de ideale plant voor onze luchtstreken. Maar je kunt ze binnen kweken als orangerieplant, op een lichte plaats, van midden oktober tot midden mei, en na een paar jaar beginnen ze zelfs vrucht te dragen. Olijven zijn zelfbestuivend, dus je hebt er maar één nodig. Het ideaal is je olijfboom pas binnen te brengen na de eerste vorst, anders bloeit hij namelijk niet; dit roept zonderlinge beelden op van mensen op weg naar huis met in de ene hand hun olijfboom en in de andere hun eerste boerenkool.

Een oudere olijf, laten we zeggen van over de tien, geplant in volle grond, kan 's winters buiten blijven, maar moet dan wel beschermd en ingepakt worden. Bij Xotus hebben ze er een paar die wel 150 jaar oud zijn. Ik denk dat ik de mijne, als hij zo oud was, 's nachts niet alleen zou durven laten. Vorige zomer bezocht ik het huis van Renoir in Cagnes-sur-Mer; het huis zelf is wat teleurstellend of zelfs deprimerend, met die foto's van de oude schilder in een rolstoel; maar de tuin, een antieke olijfgaard, maakt alles goed. De bomen daar heten over de duizend jaar oud te zijn. Het is bijna niet te bevatten, dat zo iets ouds nog levend is, en echt levend ook, want deze kromgegroeide knoesten droegen volop vrucht.

In zijn 'Ode to the Nightingale' heeft Keats het over een 'immortal bird': The voice I hear this passing night was heard/ In ancient days by emperor and clown. De olijf is in dezelfde categorie. Courgettes zijn er nog niet zo lang, hoewel het uitzaaien ieder jaar ze potentieel onsterfelijk maakt. Maar kortgeleden zag ik iets vreselijks: aardappels van vorig jaar die we hadden vergeten. In het donker hadden ze lange dunne scheuten voortgebracht, scheef, allemaal onder dezelfde hoek - hopeloos, zwak en bleek als gevangenen. Ze zagen er uit als geesten, vergeten schimmen, noch om te eten noch om te planten, en ik kan de gedachte aan ze nauwelijks verdragen. Hoe meer groentes je kweekt hoe meer respect je krijgt voor het hele proces.

    • Sarah Hart