SCHREEUWEN OM BETEKENIS; Uit grote enquête onder Franse scholieren blijkt weerzin tegen competitie

De linkse Franse regering wil onderwijsvernieuw- ing. De scholieren willen zingeving, maar vinden die amper op school. Hoe zit dat, vraagt adviseur Philippe Meirieu zich af.

'Nous voulons vivre les savoirs. Ne nous décevez pas!' Inez Herréro van het Franse Landelijke Scholierencomité waarschuwt een zaal met tweeduizend belangrijke Franse onderwijsmensen: 'We willen kennis beleven, stel ons niet teleur!' Ze spreekt tijdens een groot congres over de toekomst van het Franse middelbare onderwijs, eind april in het Palais des Sports, Lyon. Ook de minister van onderwijs, Claude Allègre, is aanwezig. De Grote Held op de conferentie is echter hoogleraar onderwijskunde Philippe Meirieu. Want Meirieu liet in minder dan een half jaar tijd leerlingen, leraren en schoolleiders van de Franse lycea (vergelijkbaar met MBO en de bovenbouw van Havo en VWO) ondervragen naar hun opvattingen over het nut van schoolse kennis. Maar liefst twee miljoen leerlingen reageerden, individueel of groepsgewijs.

CRISIS

De belangstelling is groot, want het Franse onderwijs verkeert in een staat van crisis, zo vinden veel Fransen. De verspreiding van intellectuele vorming dreigt aan succes ten onder te gaan. De leerlingen stromen toe, maar het onderwijs zelf heeft zich nauwelijks aangepast aan de massale toeloop. Gevolgen: stress, verveling, spijbelen, schooluitval en geweld. Die symptomen zijn al vaak door diverse deskundigen beschreven en Claude Allègre is niet de eerste minister die de zaak wil aanpakken. Het verschil is: hij vroeg Philippe Meirieu een landelijke consultatie te organiseren omdat deze in zijn boek L'Ecole ou la guerre civile (Plon 1997) een indringende beschrijving gaf van wat er misgaat in het Franse onderwijs.

In dit boek noemt Meirieu de crisis een kenniscrisis. De school slaagt er niet meer in op voor leerlingen betekenisvolle wijze kennis over te dragen. Leerlingen willen graag leren, maar in wat ze leren moet wel een soort uitdagende herkenning liggen van 'grote' problemen die hen beroeren of kunnen beroeren. In de schoolse kennis is die mogelijkheid van het spannende, van een emotionele binding aan wat je leert, zwaar onder druk komen te staan. Meirieu wijt dat onder meer aan de manier van selecteren en toetsen. Kennis is gedegradeerd tot een middel om te selecteren, en die betekenis domineert in de hoofden van leerlingen.

Er staan dan vier wegen open voor de verveelde leerling: afhaken, passief consumeren, je inspannen of je strategisch gedragen. Meisjes kiezen meestal voor inspanning: ze werken hard en halen goede resultaten. Maar vraag je een leraar de beste leerlingen van de klas aan te wijzen, dan zijn dat vaker jongens. Die weten de indruk te wekken dat ze nog een reserve aan intellect hebben en opereren dus strategischer. Bij selectiebeslissingen (zoals bij de vraag of een leerling over mag of blijft zitten) geeft dat strategische gedrag uiteindelijk de doorslag. Het gaat Meirieu niet zozeer om sekseverschillen - meisjes halen die achterstand wel in - maar om het proces dat er achter ligt en de boodschap die de school aldus aan leerlingen uitdraagt, namelijk dat de inhoud van kennis en de interesse ervoor eigenlijk niet belangrijk zijn.

Meirieu ondervroeg voor zijn boek leerlingen in achterstandswijken naar wat ze mooi of goed vonden. Hij merkte dat ze 'schreeuwen om betekenis', maar dat ze die betekenis nu vinden in films en series die emoties oproepen, en die zijn meestal gewelddadig. Schokkend vond Meirieu de bevinding dat de leerlingen de lust om te doden zonder meer accepteren. De school vervult geen rol in het relativeren of sublimeren van dat beeld. Op school gaat het over andere, voor deze leerlingen wereldvreemde en abstracte zaken. Om kennis weer betekenisvol te maken, heeft Meirieu in de 'banlieues' van Lyon onderwijsprojecten opgezet. Daarin wordt schoolse kennis niet opgegeven, integendeel, maar in een historische context geplaatst om te laten zien hoe en waarom kennis door mensen gemaakt is.

In de enquête vroeg Meirieu de mening van de lyceïsten. Door de open vragen konden leerlingen hun bezwaren en frustraties ruimschoots kwijt. Een vraag was bijvoorbeeld: 'wat vind je een goede remedie tegen verveling op school?' In hun antwoorden op deze vraag vinden de leerlingen unaniem dat er een alternatief moet komen voor de 35, vaak heel saaie, klassikale lessen die ze in een week moeten volgen. Ze willen graag minder leerstof, en vooral gevarieerdere manieren om die te verwerken. Leraren moeten meer beschikbaar zijn voor gesprekken, discussie en begeleiding. Ze willen meer samenwerken en zelf uitzoeken in documentatiecentra. Daarbij moet het lyceum een plek worden voor debat en contact met de buitenwereld. Op het slotcongres in Lyon werden deze oplossingen kort en krachtig samengevat als moins, mais mieux: 'minder, maar beter'.

Veel lyceïsten wensen een verschuiving in vakken: 67 procent vindt dat er te weinig aan creativiteit gedaan wordt en vraagt om verplichte kunstzinnige vorming. Vreemde talen mogen ook meer ruimte krijgen en voor onderwijs in het recht vraagt 24 procent van de leerlingen een plekje.

AFWIJZINGEN

Ook geschiedenis vinden leerlingen een belangrijk vak, maar veel te saai gegeven en te weinig op de moderne tijd gericht. Een volgend punt is de beoordeling van prestaties. De lyceïsten willen graag uitgedaagd worden, maar ze haten de veelvuldige beoordelingen. Deze worden door velen ervaren als een continue stroom afwijzingen. Waarom niet gelet op wat ze wèl kunnen? Waarom niet meer samenwerking in plaats van die eeuwige competitie?

Met name leerlingen van het 'lycée professionnel' (vergelijkbaar met MBO) voelen zich onheus bejegend: 'assassiné' ('vermoord') door hun leraar als ze niet tot een volgend jaar worden toegelaten, en behandeld alsof ze niets snappen terwijl ze dàt nu juist zo graag willen. Ze willen graag filosofie als vak, net als op het 'echte' lyceum, het lycée généneral et technologique (vergelijkbaar met bovenbouw Havo-VWO). Ze hopen zo te leren in grotere verbanden te denken. In Lyon bleek hoe gevoelig dit punt ligt. Toen in één van de discussiezalen een lerares Duits het waagde op te merken dat filosofie haar voor deze leerlingen een minder geschikt vak leek, vielen de aanwezigen en masse over haar heen, met voorop de leerlingen van de beroepslycea. Want het gaat hen vooral om filosofie als 'debat' en minder om kennis van grote filosofen. Opmerkelijk is dat ruim 40 procent van de leerlingen van het lycée général et technologique ook pleit voor meer debat. De reacties van de leerlingen van de twee lycea zijn echter ook complementair. Waar de leerlingen van het beroepslyceum naar bredere betekeniskaders verlangen, willen leerlingen van het algemene en technologische lyceum juist meer concreetheid en actualiteit: informatica, stages en uitwisseling met andere landen.

Bij alle geuite kritiek is het opmerkelijk dat verworvenheden van het Franse onderwijs niet ter discussie staan, zoals de intellectuele oriëntatie, de baccalaureaten en het onderscheid tussen stromen in de lycea (algemeen, technologisch en beroepsgericht). Dat het onderwijs algemene kennis en vaardigheden moet bijbrengen, dat die aangereikt worden door een inwijding in de cultuur en dat de leraar daarin een cruciale rol vervult, dat staat allemaal buiten kijf. Maar in dat proces gaat er dus wel van alles mis. Meirieu formuleert het zo: het is ons gelukt toegang voor allen te realiseren, nu gaat het erom ook schoolsucces toegankelijk te maken. De leerlingen gaan overigens minder ver in hun kritiek dan Meirieu in zijn boek doet. Als het aan hem lag werden selectie en toetsen gewoon afgeschaft.

Wat te doen? Conform de uitslag van de consultatie betreffen Meirieu's voorstellen aan de regering - hij noemt het zelf 'principes' - vooral de omgang met kennis. Van de 46 principes gaan er slechts twee over de onderwijsstructuur. De eerste is dat het lycée professionnel officieel een lyceum wordt en een organisatorische eenheid gaat vormen met het lycée général et technologique. Zo'n scholengemeenschap mag dan niet meer dan 1500 leerlingen herbergen. Dit moet de voorwaarde scheppen voor een echte culture commune van gedeelde vakgebieden, zoals de Franse taal, geschiedenis/aardrijkskunde, staatsrechtelijke en politieke vorming, filosofie. De tweede stuctuurmaatregel is dat definitieve richtingkeuze van een leerling wordt uitgesteld tot in het 4e leerjaar van het voortgezet onderwijs, een jaar later dan nu.

HUISWERKHULP

De meeste andere 'principes' hebben betrekking op verbetering van didactiek en pedagogiek in het lycée. Een eerste stap is dat niet langer alle 35 lesuren klassikale 'hoorcolleges' zijn en de leerlingen het met hun vele huiswerk maar verder zelf moeten uitzoeken. Daartoe moet het lyceum een studiehuis worden waarbinnen, naast de minder talrijke klassikale lessen, leerlingen met elkaar en individueel kunnen werken onder de beste condities. Dat laatste wil zeggen: met een tutor-achtige begeleiding, met goede opdrachten en met een documentatiecentrum. Training in studeervaardigheden kan naar behoefte of op advies van de leraar gevolgd worden in halve klassen. De andere helft van de klas werkt dan zelfstandig. Verder kunnen er per vak steunlessen ingeroosterd worden en kunnen scholen stimuleren dat leerlingen elkaar helpen. De leerlingen zijn verplicht aanwezig gedurende 28 uur per week. Daarnaast is er - niet-verplicht - de mogelijkheid om tussen de 3 à 9 uur per week deel te nemen aan bepaalde activiteiten, zoals excursies, werkgroepen, huiswerkhulp en dergelijke. Een belangrijke voorwaarde is een verschuiving in de aanstelling van de leraar. De tweedegraads leraar die nu maximaal 18 lesuren geeft (in Nederland is dat 28 uur), gaat staks 15 lesuren geven en 4 begeleidingsuren. Voor de eerstegraads leraar veranderen 16 lesuren in 14 lesuren met 3 begeleidingsuren. En dat beschouwt men in Frankrijk al als een hele revolutie. Het eindrapport van Meirieu's onderzoek is te verkrijgen bij het Comité d'organisation du colloque. L.P. Léon Blum. Place du Pentacle BP17 69195 Saint Fons Cedex, Fax: 00-33-472890516.