Recht in de slag met Internet

“Een verbazingwekkende uitvinding, maar wie zou hem ooit willen gebruiken?” Dat was de reactie van president Rutherford B. Hayes in 1876 nadat hij had deelgenomen aan een telefonische proefverbinding tussen Washington en Philadelphia. “Radio heeft geen toekomst”, verklaarde de eminente Britse mathematicus en natuurkundige Lord Klein in 1897.

Deze bloopers zijn ontleend aan het smakelijke boek The experts speak uit 1984 van Christopher Cerf en Victor Navasky, “het definitieve naslagwerk van gezaghebbende misinformatie”. De aanduiding 'definitief' was voorbarig. Het trefwoord Internet ontbrak. De kandidaten voor een vermelding kunnen uit een onverwachte hoek komen, getuige de jongste jaarvergadering van de eerbiedwaardige Nederlandse Juristenvereniging over het thema Recht en Internet.

De eigenlijke rechtsgeleerde pre-adviezen (over internationaal privaatrecht, strafrecht en auteursrecht) werden voorafgegaan door een algemene uiteenzetting van de rechtsinformaticus prof.dr. A.W. Koers onder het motto “van technisch naar sociaal systeem”. Zijn conclusie is “dat Internet niet alleen belangwekkende juridisch-inhoudelijke vragen oproept, maar ook uitdagingen aan het recht presenteert van meer fundamentele aard, zeker op termijn”.

Contacten in de virtuele wereld zijn snel en vluchtig spelen zich af over de gehele aardbol, waarschuwt Koers.

Dat geldt natuurlijk ook voor het telefoonverkeer en toch heeft dat niet het recht in gedrang gebracht, smaalt de Leidse hoogleraar staatsrecht mr. A.F.M. Brennikmeijer in de traditionele bespreking van de pre-adviezen in het Juristenblad. Deze klassieke rechtsgeleerde sabelt de gedachte neer dat Internet zo bijzonder is. “Op zichzelf vormt Internet niet echt iets nieuws na de opkomst van telefonie, de televisie, de automatisering, de digitalisering”.

Brenninkmeijer eet wel van twee walletjes, want hij benut zijn bespreking voor een vurig pleidooi om gebruik te maken van de mogelijkheden van Internet. Bijvoorbeeld om de wetten en de rechtspraak nu eens werkelijk algemeen beschikbaar te stellen. Dat zou weinig minder zijn dan een juridische aardverschuiving, die alleen mogelijk is dankzij de speciale eigenschappen van Internet. Hoezo niets nieuws?

Dat het nog lastig kan worden voor het recht valt in elk geval moeilijk te betwijfelen. Pre-adviseur mr. P.B. Hugenholtz voorspelt dat het auteursrecht onderuit wordt gehaald door een combinatie van technische beschermingsmaatregelen en contractuele afspraken tussen producenten en afnemers. Afspraken zijn iets anders dan de eenzijdige verboden waarop het oude copyrightsysteem berust. Op zichzelf is een op wederkerigheid gebaseerde formule winst, maar het gevaar bestaat dat ook tot dusver niet-beschermd materiaal wordt meegenomen.

Het gevaar van technische beschermingsmaatregelen (codering) is dat het ontoegankelijk maken van informatie rechtens wordt beloond. Hugenholtz wijst erop dat er afgezien van de Wet openbaarheid van bestuur voor overheidsinformatie nauwelijks een recht op toegang tot informatie bestaat. En zelfs die wet komt zijn beloften niet na, zie de hartekreet van Brennikmeijer.

Opmerkelijk afwezig in de Internet-beslommeringen van de Juristenvereniging is het recht op informationele privacy. Toch bleek in een privacypeiling van het Amerikaanse bureau Equifax/Harris uit 1996 dat ruim 70 procent van de Internetgebruikers bezwaar heeft tegen het gebruik van hun gegevens door Web-providers voor marketingdoeleinden.

Pre-adviseur prof.mr. Y. Buruma bepleit dan ook een strafbepaling tegen “niet door de betrokkene geautoriseerde verspreiding van persoonsgegevens”. Zo'n veto is echter het andere uiterste. Tegenover het belang van de persoonlijke levenssfeer van de één staat altijd het belang om te weten van ander. Bovendien schept een strafbepaling altijd een onderzoeksbevoegdheid voor de politie. Heeft de privacy daar wel zoveel behoefte aan?

    • Frank Kuitenbrouwer