PSYCHISCHE STOORNIS LEIDT BIJ MEISJES NIET TOT AFWIJKEND GEDRAG

Niet bekend

Dit concluderen epidemiologen en psychologen van de John Hopkins University in Baltimore, Maryland (Journal of the American Academy of Child and Adolescent Psychiatry, juni 1998). Zij onderzochten het sociale gedrag van in totaal 288 adolescenten waarvan tweederde psychiatrische stoornissen had, en een derde (als controlegroep) niet. De groep werd gevonden na een enquête onder een representatieve groep van bijna 1.000 scholieren van elf tot zeventien jaar in Baltimore. De psychiatrische toestand werd gemeten met vragenlijsten als Children's Depression Inventory en Child Health and Illness Profile, Adolescent Edition. Er is tot nu toe vrijwel geen epidemiologisch onderzoek gedaan naar de sociale indicatoren voor pyschiatrische problemen van jongeren. Meer inzicht in sociale aspecten kan leiden tot snellere diagnose en behandeling, ook met aandacht voor het sociale functioneren. Juist in de puberteit is de sociale ontwikkeling van de persoonlijkheid van groot belang. Uit het onderzoek blijkt overigens niet hoe de causale relatie tussen de twee aspecten is: of de psychiatrische problemen het sociale gedrag bepalen of andersom.

Het sociale gedrag werd - op grond van ondervragingen van de jongeren èn hun moeder - gescoord op tien onafhankelijke factoren die volgens de onderzoekers het functioneren in een sociale rol in hoge mate definiëren en bepalen: schoolprestaties (zoals huiswerk, cijfers), onderhouden van wederzijds ondersteunende relaties met vrienden en familie, interpersoonlijke activiteiten (uitgaan, visite), georganiseerde activiteiten (sport, religie), huiselijke activiteiten (eigen bed opmaken, koken), relaties met gelijken (vriendschappen en verkering), actieve sociale probleemoplossing (bij ruzies etc), communicatie en net gedrag, verantwoordelijkheid en 'zelfmanagement' (planning, zelfbeheersing bij woede). Zowel jongens als meisjes met psychiatrische problemen bleken - onverwacht - intensief bezig zijn met actieve probleemoplossing en het interpersoonlijke contact. Mogelijk omdat ze veel behoefte aan steun hebben, opperen de onderzoekers uit Baltimore.

    • Hendrik Spiering