Paaitijd; De journalistieke exploitatie van de steurstroper op de Wolga

Langzaam valt het doek voor de traditionele Russische kaviaarindustrie. De handel in kostbare zwartzilveren eitjes is in handen van bandieten. Nog vijf jaar en de steur is uitgestorven, door toedoen van stropers èn politie. De neergang van de nationale vis.

Camera klaar? Geluid klaar? Draaien!

Een opzwepende tune ontbreekt. Is ook nauwelijks nodig, want de speedboten van de rivierpolitie zijn zo al spectaculair genoeg. Boeggolven met schuimkoppen. Zonlicht dat op de bezwete politiekoppen uiteen spat. Op de achtergrond knotwilgen, die tot hun knieën in het water staan. Gelijk met het zwenken van de boten, zwenkt de camera. Achter een vlierbosje dobbert een roeiboot. Kaviaarstropers, die net bezig zijn een vislijn met vleeshaken uit te zetten.

Met getrokken pistolen, “Politie! Politie!” schreeuwend, enteren de agenten het bootje. Ze wijzen en roepen: “Wat is dit?” In close-up zien de weerhaken er verwijtend uit. Gemompel, weggedraaide gezichten, baseballpetjes. “Jullie zijn gearresteerd.”

Svetlana Martsjenko, die vanaf de zomerdijk had toegekeken, weet niet beter of alle journalisten zetten altijd alles in scène. Over de telefoon vanuit Moskou had ze gezegd: “U wilt mee met een raid van de visserijpolitie? Geen enkel probleem.”

“Gebeurt zoiets 's nachts of overdag?”

“Het stropen zelf? 's Nachts. Maar u begrijpt toch hoe wij dit organiseren? Het wordt een kleine enscenerovki. Dat kan eventueel ook 's nachts, maar dan kost het meer.”

Op het vliegveld van Astrachan, kundig ingepast tussen de achthonderd aders van de Wolga-delta, houdt de 36-jarige kaviaar-reisleidster Svetlana een bordje 'Holland' omhoog. Ze is blond, beweeglijk, aanhalig. “Wacht”, zegt ze - een hand vol armbanden op je onderarm. Haar hoog opgestoken kapsel gaat op in de menigte passagiers, en is een tel later terug. “Ik zag de directrice van de steurkwekerij”, zegt ze, “en heb alvast een afspraak gemaakt voor morgenochtend. Alle journalisten willen daar heen.”

De steur sterft uit, en langzaam, als in slow motion, valt het doek voor de traditionele Russische kaviaarindustrie. Ieder jaar in mei en juni, de paaitijd, gaan stropers en staatsvissers de strijd aan om de laatste Kaspische vrouwtjessteuren, die dan de Wolga opzwemmen om kuit te schieten. En jaar in jaar uit staan de media erbij om het te filmen. Want er is moeilijk een voor Rusland karakteristieker en beeldender journaal-item of krantenartikel te bedenken.

Een streng zwartzilveren eitjes van een volwassen steur, een voorhistorische vis van 250 miljoen jaar oud, weegt zo'n twee kilo. Gezouten en verpakt in glazen potjes brengt die delicatesse in Amsterdam of New York twee- tot drieduizend gulden op. De prijs op de zwarte markt in Moskou is 2.500 roebel per kilo (achthonderd gulden), die in Astrachan 250 (tachtig gulden). Anders gezegd: wie in de Wolga-delta een steur voorbij ziet zwemmen, ziet een maandsalaris voorbij zwemmen. De paaitijd is dan ook een zesweekse free for all. Nog maar tien jaar geleden, toen de Sovjet-Unie nog bestond, was de steurvisserij nog het strikte domein van de staat. Maar de totale controle heeft plaatsgemaakt voor totale anarchie en de kaviaarbusiness is ten prooi gevallen aan banditisme.

“Nog vijf jaar en de steur is uitgestorven”, zegt Lydia Vasiljeva, de directrice van Ruslands enige experimentele steurkwekerij. Haar bureau staat vol met Japanse, Chinese en Franse vlaggetjes. Toen Svetlana haar de vorige dag op het vliegveld aanschoot kwam ze juist terug uit Duitsland, waar ze een kilo bevruchte steureitjes had afgeleverd. Vroeger, zegt de vistechnologe, zag de KGB erop toe dat er geen enkele levende steur het land verliet, ter bescherming van Ruslands kaviaargeheimen. “Maar nu is het zaak om onze kennis te delen, als we de steur tenminste niet voorgoed willen uitroeien.”

Aan de muur hangen grafieken met neergaande lijnen: de fatale achteruitgang van de visstand. Als redenen somt Lydia op: overbevissing en stroperij, de bouw van stuwdammen in de Wolga, vervuiling. De keus tussen elektriciteit of kaviaar was in de Sovjet-tijd gauw gemaakt, temeer omdat dat laatste een van de weinige niet-schaarse producten was. Tot in de jaren zestig stond er op de trams in Moskou: eet u wel genoeg kaviaar?

Taste the west

Omdat de ingenieurs beseften dat ze met de bouw van een grote stuw bij Wolgograd tweeduizend kilometer van het paaigebied van de steur zouden afsnijden, ontwierpen ze ook een steurlift: een bak die je kon optakelen en leegkieperen in het meer. “Maar geen steur die die bak inzwom”, doceert Vasiljeva. Aan de hand van staafdiagrammen laat ze zien hoe de Russische kaviaar-productie van tweeduizend ton in 1978 is teruggelopen tot 160 ton in 1998. “Dat laatste is althans het plan, maar de stropers zullen ons voor zijn.” Wat de steurkweekster extra somber stemt is de nieuwe rush op de olievoorraden van de Kaspische zee. “Het is olie of kaviaar. Wij zijn domweg niet in staat om beide producten tegelijk te winnen.”

Svetlana heeft op haar horloge zitten kijken. De tijd dringt, de door haar gecharterde visserij-inspecteur is gearriveerd. En zonder deze Volodja - die erop toeziet dat de staat haar aandeel van de kaviaarrijkdom krijgt - zijn we niet welkom bij de staatsvissers in het stroomafwaarts gelegen dorpje Trudfront (Arbeidsfront). Even later in een gammele jeep leest de inspecteur een briefje op met cijfers: “In de eerste vier weken van dit seizoen hebben we al tien kilo gestroopte kaviaar in beslag genomen. Er zijn 505 overtreders van de visserijwet aangehouden, en in 38 gevallen zal dat tot een rechtszaak leiden.”

Zo weinig? “Weinig? U moet bedenken dat in alle dorpjes in de Wolgadelta elke tweede volwassen man al eens in de gevangenis heeft gezeten voor stroperij.” En u? “Ik niet, maar mijn vader wel. Drie jaar, voor het smokkelen van vijf kilo.” Volodja vertelt hoe de Delta-bewoners met elkaar plegen kennis te maken. “Hun eerste vraag is: Hoe heet je? Hun tweede: Hoe lang heb je gezeten?”

Waar de weg overgaat in water, bevolkt door muskusratten en bevers, ligt een motorsloep van de vissovchoze klaar. Links trekt het gehucht Trudfront voorbij, een rijtje verweerde houten gevels op een oeverwal pal aan het water. Wijzend op het stenen kerkje vertelt Volodja dat tsaar Peter de Grote, toen die hier drie eeuwen geleden op bezoek was, had verordonneerd dat de klokken niet geluid mochten worden, om de steur niet aan het schrikken te maken. Dat gebruik wordt nog steeds in ere gehouden, al staat het in scherp contrast met de stroopmethode die Tsjetsjenië-veteranen hebben geïntroduceerd: het 'vissen' met handgranaten en dynamiet.

Op een overdekte veranda bij een aanlegsteiger staat een gedekte tafel gereed met gegrilde steur, steursoep, brood met kaviaar, wodka. Svetlana omhelst de opzichter van de vissovchoze en stelt hem aan ons voor. Hij heet Dmitri. “Anderhalf jaar”, antwoordt hij, met een zuur lachje, op vraag twee. Op een strandje vijftig meter verderop staat een dozijn vissers in oranje voorschoten netten binnen te halen. Dat gebeurt met een lier, die via de velgen van oude tractorwielen, bij wijze van katrollen, door een dieselmotor wordt ingehaald. Omdat er nauwelijks vis zit, laten de vissers werkeloos toekijkend een petfles met bier rond gaan. Af en toe spartelt er een ondermaatse snuitsteur (sevroega) in het net, die aan kop en staart wordt beetgepakt en teruggegooid.

Vanuit een op twee poten gekiepte tuinstoel houdt een politieagent het tafereel in de gaten. Zijn taak: namens Volodja van de visserij-inspectie toezien dat er geen vis achterover wordt gedrukt. Maar als er bij de derde vangst van die middag een rijpe, kaviaar-dragende steur in het net blijkt te zitten, begint hij zenuwachtig heen en weer te lopen. Gezien zijn haastige gebaren, wil hij voorkomen dat zijn baas het ziet. Snel slepen de staatsvissers het meer dan honderd kilo wegende beest aan zijn kieuwen naar een roeibootje buiten het zicht van de veranda. De vis wordt bewusteloos geslagen en nog levend over de lengte opengereten. Vieze vissershanden scheppen de kilo's kuit uit de buikholte over in een plastic zak, met daarop de Marlboro-man. Taste the west. Een klein joch verbergt de buit op aanwijzing van de politieman in een woonboot. Te laat! De inspecteur, uitgegeten en uitgedronken, komt geïrriteerd overeind, maar nog voor hij bij de woonboot is, drukt iemand hem een tweehonderdgrams blikje kaviaar in handen. “Kom”, zegt hij ineens bedrijvig. “We gaan.”

Svetlana, lacherig van de wodka, begint op de terugweg naar Astrachan over zichzelf te vertellen. Hoe ze een paar jaar geleden als perssecretaris van de gouverneur verantwoordelijk was voor het rondleiden van het buitenlandse journalistenlegertje. Voor televisieploegen, die zonder morren honderden dollars uitgaven, had ze tijdens de paaitijd een speciale rondvaartboot klaarliggen, pal tegenover Hotel Lotus. Soms werkte ze als een boekingsbureau: de Duitse RTL was nog niet vertrokken, of daar kwamen de Canadezen, hup, twee dagen de Wolga op, en dan kwam TV2 uit Frankrijk. In het begin had ze zich verbaasd over de verzoeken: de Fransen vroegen haar of ze op de markt een Kazach, een Kalmuk, een Turkmeen en een blonde Rus als 'kaviaarverkopers' achter een kraampje wilde zetten. Svetlana: “Ik geloof dat ze wilden aangeven dat alle etnische groepen rond de Kaspische Zee zich met de kaviaarbusiness bezig houden.”

Miami Vice

1995 was een topseizoen. Ze had zulke goede contacten met de politie dat toen RTL-Duitsland niet tevreden bleek met de Miami Vice-achtige arrestatie van stropers op de Wolga (“niet spectaculair genoeg”), ze in een oogwenk een overval op een vissersdorpje wist te organiseren. Take Two van het ruwe videomateriaal laat gemaskerde mannen zien, in camouflagepak, die schreeuwend een dorpspleintje bestormen. Op een boomstam zitten wat vissers beduusd te kijken. “Plat op de grond!”, bevelen de commando's, die voor het effect hun kalasjnikovs afvuren. Een dorpeling in een wit overhemd wordt tegen de muur gezet van zijn lemen huisje. “Waar is je kaviaar”, blaffen de overvallers. “Ik heb geen kaviaar!” Het volgende moment krijgt hij een vuist in zijn maag, het mannetje krimpt ineen, terwijl zijn kinderen lijkbleek staan toe te kijken. “Niet kutten! Wij vroegen je wat.”

De gemaskerde mannen, van wie er een een cameralamp omhooghoudt, forceren de deur en dringen een huisje binnen. Ze vinden een emmer, vleeshaken en inderdaad: kaviaar. Het eindshot laat een rijtje vissers zien, met hun handen in hun nek liggend in het stof, een opengewerkte zak kaviaar aan hun voeten.

Waren dat allemaal stand-in's? “De vissers niet”, zegt Svetlana. “Die Duitsers konden wel de speciale brigade betalen, maar ze hadden niet genoeg geld bij zich om een heel dorp te kopen.”

In 1996 stond ze op het punt om samen met haar contactman bij Binnenlandse Zaken een bedrijfje te beginnen. Kaviaar-tours. Maar er kwam niemand: alle journalisten hadden hun handen vol aan de presidentsverkiezingen. Vorig jaar trok de journalistenmarkt aan, maar voor Svetlana waren er belangrijke kapers op de kust: ook Olga Sosnovskaja, de lokale verslaggeefster van het Russische tv-journaal, bood haar bemiddeling aan. Vooraf door de telefoon had ook zij gezegd dat alles in principe mogelijk was. “Een stroper kan ik zo regelen”, zei Olga. “Maar als jullie hem ook willen fotograferen, dat wordt moeilijk. Toch denk ik dat hij het risico voor een flink bedrag wel aandurft.”

Terug in Hotel Lotus blijkt er opnieuw een tv-ploeg van RTL Television in de Wolgadelta te zijn neergestreken, terwijl Newsweek net heeft uitgecheckt. 's Avonds aan de wodka vertelt de Duitse tv-verslaggeefster dat haar collega hier drie jaar geleden ook was, maar dat het kaviaarverhaal het bij de kijkers zo goed doet, dat het al wel weer kan. Ze wil een raid van de rivierpolitie filmen, zegt ze.

Kent ze die beelden van die overval op dat dorpje? “Hebben jullie dat gezien”, zegt ze geschrokken. “Dat had niets met journalistiek te maken. Die collega had regisseur van speelfilms moeten worden.” Maar ook zij heeft spektakel nodig, en daarom had ze eigenlijk naar Dagestan gewild, de buurrepubliek van Tsjetsjenië waar de lange arm van Moskou nog nauwelijks gezag uitoefent. In Dagestan zit de echte kaviaarmafia, die met trawlers de Kaspische Zee leeg vist voordat de steur de Wolga opzwemt. “We hebben het geprobeerd via het ministerie van Defensie in Moskou, om met de kustwacht mee te mogen”, zegt de Duitse journaliste. “Maar dat is niet gelukt. Te gevaarlijk, zeiden ze.”

En dus is RTL-Duitsland voor de tweede keer in drie jaar aangewezen op de rivierpolitie van Astrachan. Maar de speciale brigade van gemaskerde mannen met kalasjnikovs, zo blijkt de volgende dag, is dit jaar niet ingezet. Te duur en niet in het belang van de gouverneur, die een anti-Westerse koers is gaan varen (met zijn eigen winkelketen waar Amerikaanse producten worden geboycot). De rivierpolitie blijkt in het geheel geen controles meer uit te voeren - alleen nog op verzoek van betalende journalisten. Een bijkomend probleem: de rivierpolitie heeft geen boten, en die moeten dus inclusief benzine worden gehuurd.

Museum

Na een avond geregel en geritsel, rijdt de politiechef de volgende morgen naar een afgelegen stukje Wolga achter een vervallen kolchoze. Daar in het riet liggen twee bootjes met buitenboordmotoren te wachten. Militieman Sergej, met als rekwisiet een kalasjnikov om zijn schouder, stapt aan boord bij de ingehuurde bootsman Rafael: een man met een stoppelbaard en gouden tanden die zegt dat hij “op de rivier is geboren”. Terwijl Sergej op de voorplecht met een haak naar illegale stropersnetten zit te vissen, zegt Rafael dat hij ooit drie jaar heeft gezeten. “Maar dat was in de tijd dat de politie nog controleerde.” Op de vraag of hij nog steeds stroopt, zegt hij: “Iedere eigenaar van een bootje is stroper.” In de kajuit liggen zijn martelwerktuigen: een knuppel om de steur bewusteloos te slaan, een scherp mes, een pin aan een lange vislijn: daarmee rijgt hij de gevangen vis door hun kieuwen aaneen, om ze onzichtbaar achter zijn bootje aan te kunnen slepen. “Dat is veiliger: als de politie komt, snij ik de draad door zodat ik niet op heterdaad betrapt kan worden.”

Wetshandhaver Sergej, die heeft zitten meeluisteren: “Zeg, je moet ze niet alles vertellen.”

Eindelijk heeft hij beet: een over de breedte van de rivier gespannen lijn met drijvers en vleeshaken, tientallen meters lang. “Daar gaat voor een kapitaal aan huisvlijt”, merkt Rafael op, terwijl Sergej het illegale net binnenboord hijst. De bootsman wijst met zijn sigaret naar de kade, waar zijn collegastropers gehurkt zitten toe te kijken, geïrriteerd dat er alweer journalisten actief zijn.

Maar: er zit geen enkele steur aan de haken. De staatsvissers van de sovchoze in Trudfront hadden daar ook al over geklaagd: er zit nauwelijks nog vis. Zo erg als dit jaar is het nog nooit geweest, zeiden ze. Een van hen, de 32-jarige Sjamil, had al bedacht wat hij zou gaan doen als de kaviaarindustrie ter ziele is: “Ik word taxi-chauffeur. Ik heb een Lada, en er is niets anders wat ik kan.” Ook Lydia Vasiljeva van de kwekerij had gezegd: “Er is catastrofaal weinig steur dit jaar. Alles wordt al op volle zee geroofd.” Van de kostbaarste steursoort, de beloega, is in 1989 voor het laatst een volwassen exemplaar (zestig jaar oud, 998 kilo) gevangen en aan het museum van Astrachan geschonken.

Op het laatste onderdeel van de kaviaartour, een bezoekje aan de fabriek Roesskaja Ikra, wordt de volle omvang van de tragedie zichtbaar: er is geen kaviaar te bekennen. De directeur is in Moskou, zijn secretaresse zegt dat het personeel op onbetaald verlof is gestuurd. “Voor ons moet het seizoen nog beginnen”, zegt ze. “Wij hebben nog geen kaviaar gehad.” Ook bij de concurrent, de Visconserven Kombinaat, heerst een overweldigende rust: nog geen aanvoer van kaviaar gehad. “Probeert u het in de winkel van de gouverneur”, luidt het advies.

'Astrachan zonder Amerika', heet deze delicatessezaak. Helaas, de kaviaar die ze er verkopen is van vorig jaar. En dan is er nog rode, van de zalm, maar die komt uit de Stille Oceaan. Rest nog de vismarkt. Ook daar heeft de enige kaviaarhandelaar blikjes van de vangst van 1997. “Verse kaviaar”, vraagt een man in een glimmend trainingspak. Hij heeft geen kraampje, maar troont je mee naar een braakliggend veldje met garages. Al zonnebloempitten kauwend, toont hij je twee plastic emmers met elk een kilo zwarte kaviaar. “Topkwaliteit”, zegt hij. “Vanmorgen zwom ze nog.”

Zie ook het Bureau Moskou van deze krant op het Internet (www.nrc.nl)

Levende fossielen

Raspoetin was eraan verslaafd, zo gaat het verhaal, en Dostojevski at het met lepels tegelijk telkens als hij weer een hoofdstuk van Misdaad en Straf had voltooid. Toch is kaviaar pas deze eeuw uitgegroeid tot een typisch Russisch product. Eind vorige eeuw bereikte de vangst van de steur, waarvan de gezouten kuit als 'een fluwelen streling' voor de tong wordt omschreven, haar hoogtepunt in het Amerikaanse Great Lake-district. Maar al sinds 1910 is de steur, door overbevissing, in de Verenigde Staten zo goed als uitgestorven.

De kaviaarproductie verlegde zich naar de Kaspische Zee, waar tegenwoordig negentig procent van de wereldaanvoer vandaan komt. Lange tijd had de Sovjet-Unie vrijwel een monopolie op zwarte kaviaar, met alleen Iran (dat ook aan de Kaspische Zee grenst) als noemenswaardige concurrent. Nu zijn er naast de stropers en mafiabendes ook nieuwe landen als Turkmenistan, Kazachstan en Azerbajdzjan.

De drie belangrijkste steursoorten in de Kaspische Zee zijn de sevroega (snuitsteur), de gewone steur en de beloega - een vis met het formaat van een dolfijn die over de honderd jaar kan worden. Ze leven in het zoute zeewater, maar de rijpe vrouwtjes zwemmen de zoetwater rivieren op, zoals de Wolga, om kuit te schieten. Hun bijnaam, 'levende fossielen', danken ze aan hun uiterlijk (met een rij dinosaurusachtige knobbels op hun rug) en hun ouderdom (250 miljoen jaar).

De steur heeft de grote ramp overleefd die de dinosauriërs 65 miljoen jaar geleden van de aardbodem deden verdwijnen, maar lijkt niet opgewassen tegen de stropende mens. Het Wereld Natuur Fonds schat dat het aantal volwassen Kaspische steuren van 142 miljoen stuks in 1978 is gedaald tot 43 miljoen in 1994. De aanvoer op de wereldmarkt is nauwelijks teruggelopen, omdat de illegale kaviaarhandel de plaats van de staat heeft ingenomen. Het quotum dat Rusland zijn staatsvisserijbedrijven toestaat te vangen, van 20.000 ton steur in 1988 tot 1.600 ton dit jaar, wordt door de stropers op zijn minst geëvenaard. En dat terwijl een acuut moratorium, waar de natuurbeschermers om vragen, zelfs al zou het in acht worden genomen, soorten als de beloega waarschijnlijk niet meer kan redden.

Omdat Rusland totaal niet in staat is de kleine stropers in de Wolgadelta noch de grote, die met trawlers vanuit Dagestan operen, aan te pakken, is er dit jaar een ander initiatief voor het behoud van de steur begonnen. Internationale kaviaarhandelaren zijn vanaf 1 april verplicht een door de Conventie van Bedreigde Diersoorten erkend certificaat te kunnen overleggen, waarop de herkomst - indien van een legale kaviaarfabriek - staat vermeld. De VS hebben zelfs een DNA-lab opgezet waar de kaviaar van 27 steursoorten kan worden geïdentificeerd om te controleren of de inhoud van de potjes overeenkomt met de beschrijving. Er wordt in Rusland zozeer geknoeid met inferieure soorten, kaviaarmengsels en onduidelijke etiketten, dat de grootse Nederlandse importeur, in Scheveningen, alleen nog Iraanse kaviaar invoert.

Maar volgens Vadim Birnstein, van de Steur Vereniging in New York, is die strijd met certificaten hopeloos. Kaviaarhandel is als drugshandel, is zijn stelling. “In Rusland produceren ze het illegaal, maar de consumenten zitten hier in het Westen. Zolang die het kopen, wat kun je dan doen?” Daarom zijn veel natuurbeschermers voorstander van een consumentenboycot, maar de grootste afnemers, luchtvaartmaatschappijen en cruise-operators, willen hun eerste-klaspassagiers graag kaviaar blijven voorschotelen totdat het er niet meer is.

    • Frank Westerman