Oorlog in de zestien

Nederland-België, vanavond is het zover en ik raad vrouwen aan vooral te gaan kijken. Bij voorkeur in het gezelschap van mannen, want in je eentje of met vriendinnen is er weinig aan. Kijk met mannen naar voetbal, beluister hun waanwijsheden over tactiek, techniek en voetbalhistorie en je krijgt er een inzicht in de manlijke kinderziel bij cadeau.

Voetbal is het laatste echte mannendomein, waar mannen nog mannen kunnen zijn (zolang het duurt). Als de heren van het tijdschrift Hard Gras voetbalgedichten publiceren van Anna Enquist, dan is dat repressieve tolerantie. Want in hun hart denken ze er net zo over als de marktkoopman die ik op de lokale Amsterdamse televisie zag. Een verslaggeefster vroeg aan een vrouw op de Albert Cuyp wie er wereldkampioen wordt. Voordat ze antwoord kon geven schreeuwde de goedgebekte standwerker pseudo-verontwaardigd: “Wat?! Dat vraag je toch niet aan een vrouw! Waar gaat het naar toe in Nederland? Vrouwen horen te strijken en af te wassen. Niet in de kamer bij het voetbal. Mijn vrouw gaat zaterdag strijken, de was doen, voor het eten zorgen.”

Dat was zelfspot. Maar niet heus.

Tijdens de oefenwedstrijd Nederland-Nigeria was ik op een feestje waar een aantal mannen zich had teruggetrokken voor de televisie. Omdat er niets te wassen, te strijken of te koken viel, mochten er ook vrouwen bij. Een van hen was superdeskundig, bleek over een Ajax-seizoenkaart en veel achtergrondinformatie te beschikken, maar haar opmerkingen waren aan de mannen niet besteed. Het ging om hun wedstrijd en om hun deskundigheid. Eigenlijk gedroegen ze zich net zoals op vergaderingen, maar dan nog veel erger.

Want hoe doen mannen die naar voetbal kijken? Ten eerste claimen ze het onderwerp door luidkeels te vertellen over hun specifieke betrokkenheid en vervolgens begint het etaleren van (nogal triviale) kennis. Als iedereen met z'n eigen ogen kan zien dat een speler een succesvolle beweging maakt, moet een man nodig roepen: “wauw, wat een beweging”. Waarop een ander opgewonden herinnert aan een vergelijkbaar kunststukje tijdens het WK van '78 en de volgende hem weer overtroeft met een lobje van een met naam en toenaam genoemde speler in '74. Ondertussen schreeuwen ze “oef, wat scheelt 't” als er bijna een doelpunt valt, want ze scoren pas echt als ze de tv-commentator vóór zijn.

Mannen die samen voetbal kijken, zijn voortdurend bezig tegen elkaar op te bieden in expertise. Wie vandaag de dag nog onvervalst haantjesgedrag wil zien, moet naar voetbalkijkende mannen kijken en zich laten vertederen. Want o, wat zijn ze leuk. Voetballend komen ze er wel uit. Ze hebben een vermogen tot identificatie en overgave dat de meeste vrouwen bij voetbal ontberen. Als mijn broertjes vroeger op de radio naar Nederland-België luisterden - in mijn herinnering was er in de jaren vijftig alleen maar Nederland-België - mocht er, behalve door hen, door niemand iets gezegd worden. Ik wist dan dat zij zich Coen Moulijn voelden en absoluut niet gestoord mochten worden in hun wedstrijdconcentratie.

De veertigers en vijftigers tot wie ik nu veroordeeld ben tijdens voetbalavondjes, zijn te oud om zich optimaal te kunnen vereenzelvigen met Bergkamp of Kluivert. Inmiddels zijn ze coach. “Als ik Hiddink was...”, zeggen ze om de haverklap, gevolgd door eisen omtrent opstelling en wissels. “Als er oorlog komt in de zestien mist Hiddink Johan de Kock op de vier”, filosofeerde een bleekneuzige intellectueel (nooit een bal aangeraakt) tijdens Nederland-Nigeria. Aandoenlijk zoals mannen op zulke momenten hun fantasieën bloot geven.

Ze denken dat vrouwen voetbalgekke mannen imponerend vinden. Lees de roman De fantastische Boris Engel van Jan Tetteroo over de affaire-Kluivert, waarin een vrouw zegt: “Alle leuke mannen houden van voetbal, dat is nu eenmaal zo”. Maar omgekeerd is het niet waar dat alle mannen die van voetbal houden leuk zijn.

SP-leider Jan Marijnissen geeft in Het Parool van woensdag af op “politici die uit alle macht een graantje proberen mee te pikken van de Oranje-euforie”. “Daar wens IK dus niet aan mee te doen.” Hij is anders dan al die anderen, moeten we geloven. “IK stoor me aan al te chauvinistisch gedrag.” Maar ondertussen: “IK heb enorme twijfels over Guus Hiddink.” “IK ben zeer pessimistisch” (want Oranje is “een ouwelullenteam”). “IK zou Davids niet opgesteld hebben. Maar nu hij er is, laat ik Davids spelen. Dat heb IK bij Kluivert niet.”

Dus eerst zichzelf verheffen boven de andere wijsneuzen en dan de superwijsneus uithangen: ook hypocriete mannen houden van voetbal. Marijnissen lijkt op de café-uitbater in Amsterdam-West die een grote oranje opblaaspenis aan de gevel heeft gehangen en ook de serveersters met zo'n ding heeft uitgerust.

In De fantastische Boris Engel vraagt een vrouw aan haar vriendinnen wat ze van voetbal vinden. Allemaal geven ze antwoorden die niets met die vraag te maken hebben. Ze beginnen over relatieproblemen, over hun jeugd, over hun menstruatie. Vrouwen zijn hoogstens meelopers volgens Tetteroo, voor mannen betekent voetbal daarentegen “totale overgave aan de grootst mogelijke onbenulligheid, het tijdelijk wegzinken in een soort sportief orgasme”. Het mocht wat. Het trucje om aan dat orgasme deel te hebben is heel simpel - zet bijvoorbeeld op iedere wedstrijd veel geld in en vanzelf komen emotie en concentratie. Flink wedden, dames, en voor je het weet roep je “oef! Wat scheelt 't” of “oorlog in de zestien!”

Van de week zag ik een tv-programma dat wel even mooi was als voetbal: vier mensen bespraken in lyrische bewoordingen zes recent verschenen dichtbundels en beleefden een poëtisch orgasme. Bij poëzie kan dat zonder veel voorkennis omdat, zoals Kees Fens opmerkte, je gedichten niet hoeft te begrijpen om ze te waarderen.

Met voetbal is het niet anders. De opwinding, daar gaat het om. Als je die niet voelt, valt er niets aan te beleven en kan je maar beter gaan strijken.

    • Elsbeth Etty