Opinie

    • Youp van ’t Hek

Mijn neef en ik

Mijn neef en ik hebben kaarten voor vanavond, maar we hebben ze nog niet. We moeten vanmiddag om twee uur in de lounge van ons hotel zijn en daar staat een reisbureaublondje met de kaarten. Hopen we. We lezen alles over de chaos. Men biedt tweeduizend gulden, hoorde een man op de radio die dat bedrag aan een Franse zonnebril betaald had en die zou de kaart even uit de bar gaan halen.

't Was een café met een achterdeur. Wat raar dat zo'n zwarthandelaar een oplichter blijkt te zijn. We herinneren ons doorlopend oude Willy en René van de Kerkhofmoppen en vinden ze weer allemaal even leuk. Willy en René gaan zo goed als zeker failliet aan die ene wedstrijd Holland-België. Eerst René, dan Willy. Vanochtend zijn mijn neef en ik vertrokken. De WK beginnen nu echt. We fluiten ons langs Luik richting Lutetia en moeten om twaalf uur in ons hotel zijn. Om twaalf uur. En dan? Ja, dan weten we zeker dat we ze niet hebben en de wedstrijd op de hotelkamer moeten bekijken. We voelen ons Willy en René. Tenslotte zijn wij ook familie. Mijn neef is René en ik ben Willy. Twee losers bij Lille, optimisten bij Arras, omgeven door andere optimisten die denken dat er een kaartje op hen ligt te wachten. De mop van de twee jongens die naar Parijs gingen. Ze gingen niet. Mijn neef en ik worden steeds stiller.

    • Youp van ’t Hek