Hollands Dagboek: Robert van Dam

Fysicus Robert van Dam (31) onderzoekt in opdracht van het Institution of Oceanography sinds 1993 keizerspinguïns in Antarctica. Vorig jaar promoveerde Van Dam aan de Universiteit van Amsterdam op het gedrag van zeeschildpadden in Puerto Rico. Deze week verbleef hij aan boord van de ijsbreker Nathaniel B. Palmer in de Ross Zee. Het is zijn vierde expeditie naar de Zuidpool.

Woensdag 3 juniDag 34 aan boord van de 'Palmer'. We liggen aangemeerd aan de rand van een grote ijsschots op 72 graden zuid, 175 graden oost. Het is fris buiten, -21 graden Celsius met een wind van 40-60 km/uur. Gelukkig is de windrichting constant en kan het schip zo geplaatst worden dat de ijsbemonsterploeg van Martin Jeffries in de luwte haar boor- en meetwerk kan doen. Zodra deze, in het fel rood uitgedoste groep, het ijs opgaat, is het schip letterlijk half leeg en het beste moment om e-mail na te kijken die vanochtend per Inmarsat-telefoon is binnengekomen. Na een maand op zee is er haast niets beters dan bericht van het thuisfront te ontvangen en ook vandaag heb ik geluk.

Maar het toetsenbord wordt snel verlaten wanneer er even na tienen aan stuurboord een keizerspinguïn in zicht komt. Zo snel mogelijk springen we in onze zware kleren en grote, witte rubberen laarzen. Buiten benaderen we langzaam de vogel die zich eerst makkelijk laat omarmen, maar ons dan met de vleugels op een stevige aframmeling trakteert. Het dier blijkt niet al te groot, 29 kilo, ofwel 5 kilo lichter dan de twee zeer grote keizerspinguïns die we gisteren tegenkwamen. Het maagmonster bevat slechts kleine kiezelsteentjes, waarschijnlijk door de vogel van de zeebodem gehapt om de vertering een handje te helpen.

Eenmaal losgelaten, stopt het dier een pas of tien van ons vandaan, staat op en kijkt dan vooral verontwaardigd om zich heen. We trekken ons terug en aan boord laten we een paar half bevroren vingertoppen pijnlijk ontdooien. Vroeg in de middag begint het ijs langs de boeg te barsten, veroorzaakt door de strakke wind die het schip het ijs in drukt. De boor- en meetploeg komt snel aan boord en amper een kwartier later zijn we weer onderweg naar de volgende halte, 100 km oostwaarts. Het is drie uur 's middags en nu mijn beurt om vanaf de brug wacht te houden, zoekend naar leven in deze wit-blauwe woestijn.

Na het avondeten geeft onderzoekster Marcia Gowing een dia-praatje aan geïnteresseerden over virussen (officieel: VirusLike Particles, VLP's) die zij in de zee-ijsmonsters hoopt te vinden. Werkelijk fascinerend dat sommige van deze VLP's tot enkele millimeters lang kunnen worden en hoe weinig we eigenlijk weten van dingen die zo ver van de mens schijnen te staan. Ook is het altijd aanmoedigend te horen dat er anderen zijn die plezier vinden in het doen van 'nutteloos' onderzoek en er steun voor weten te krijgen.

Vanaf tien uur 's avonds weer op de brug, waar me een half uur later 'pinguïns!' toegeroepen wordt. Een groep keizerspinguïns komt in zicht, staande aan de rand van een enorme ijsschots. Snel bel ik Jerry, die uit bed springt en nog half in zijn pyjama de koude boeg opschiet om de dieren van dichtbij te bekijken. De pinguïns lopen nog een eindje met ons mee wanneer het schip langzaam voorbij glijdt. Fantastisch!

DonderdagLater dan gewoonlijk wakker, net als we aankomen op het volgende zee-ijsbemonsterstation (op 72 zuid, 178.2 oost). Even voor tienen verschijnt er een krabbeneter, een soort zeerob, in het wak, gevormd door de waterstroom van de propellers. Hij lijkt actief bezig met jagen, maar het is nog te donker om dingen goed te kunnen zien. Een kwartiertje later, tegelijk met het eerste licht komen een paar keizerspinguïns te voet van dichtbij onze diverse bezigheden verkennen.

Vandaag zijn we wat vlotter met het bij elkaar scharrelen van de benodigde spullen en mankracht voor de onderschepping. Binnen tien minuten na het verlaten van het schip wegen we het eerste dier, zij is nog eens een stuk lichter dan die van gisteren. Het is een vrouwtje, wat blijkt wanneer ze terugkeert naar haar partner en de vrouwelijke herkenningsgroet trompettert. Aangezien het volwassen dieren betreft en het juist eierlegtijd is, rijst de vraag wat deze pinguïns hier doen op bijna tweehonderd km van de meest nabije broedkolonie. Net weer terug op het schip en uit de winterkleren belt de kapitein dat een tweede paar vogels opgedoken is aan bakboord, de winderige kant van het schip. Terug op het ijs trekken we onder de indrukwekkende boeg door richting vogels, driehonderd meter verderop.

Ik begeef me even op te dun ijs, wat duidelijk wordt als het begint te kraken en met water volloopt. Een hink-stap-sprong later sta ik weer op een solide schots. We vangen de grootste van de twee (32 kilo) en verkrijgen voor het eerst recent voedsel in het maagmateriaal: een relatief grote inktvis, visresten en nog wat kleiner spul. Vangst van de tweede pinguïn moet worden afgeblazen wanneer de kapitein meldt dat de barsten in het ijs zich aan het uitbreiden zijn.

Om drie uur 's middags is iedereen weer aan boord en breken we oostwaarts naar het volgende station. Later in de avond worden we voor een paar uur door het dikke ijs opgehouden en moet de schommeltruc met het heen en weer pompen van ballastwater worden toegepast om het schip weer los te krijgen.

Het woord 'vastzitten' is taboe verklaard... Als we vast komen te zitten dan zouden we maanden moeten blijven.

Vrijdag

Een zeer vroeg begin vandaag, ik sta wacht tot zes uur 's morgens in het stuurhuis, zoals gewoonlijk op zoek naar iets levends. Wegens het stevige ijs en kilometers brede ijsschotsen is de voortgang traag en vaak niet direct richting doel. De gemiddelde ijsdikte is hier zeventig centimeter, plaatselijk oplopend tot twee meter. Gelukkig is het een prachtige, heldere nacht met stevige maan. Jupiter straalt schitterend en recht voor de boeg aan de horizon. Om de verveling te verdrijven wisselen we op de brug 'grote-dierenverhalen' uit. Vladimir, de Russische ijspiloot, vertelt van zijn ervaringen met ijsberen in het noorden, toen hij nog op de atoomijsbreker 'Arktika' werkte.

Iets voor zes uur 's ochtends passeren we de 180ste lengtegraad en is het weer 4 juni. Om chaos in de boekhouding te vermijden houden we ons gelukkig aan Nieuw-Zeelandse tijd. Tegen tienen bereiken we het station op 71 zuid 179 west. Het is opeens helemaal bewolkt geworden, waardoor de lichtende horizon als enige referentie dient in de verder egaal witte waas. Een hagelwitte sneeuwstormvogel flitst langs, met alleen de zwarte snavel en ogen zichtbaar tegen de sneeuwige achtergrond. 's Middags verdwijnt de bewolking samen met het beetje zonlicht en worden we getrakteerd op een spectaculair zuiderlicht. Op het ijs stoppen de mensen hun werkzaamheden en gaan even semi-comfortabel liggen op sneeuw en ijs om ervan te genieten.

Zaterdag

We zijn weer onderweg en vanaf middernacht sta ik opnieuw op de brug op zoek naar dieren. Een flinke wind van achteren helpt maar weinig om ons door het solide ijs te stuwen. De laatste paar uur halen we een gemiddelde snelheid van maar zo'n drie knopen. Sneeuw in de lucht komt buiten op de hete zoeklichten terecht en veroorzaakt een wazige mist die direct voor de ramen blijft hangen en het zicht belemmert. De stuurlui hangen nu nog meer dan anders rond het grote radarscherm, op zoek naar een zo gunstig mogelijke baan door het ijs.

Ergens dichtbij moet er een aardige storm broeien, de thermometer is omhoog geschoten naar -10 graden Celsius. Even na drieën komen we in een lang kanaal tussen twee massieve ijsschotsen terecht, met in het dunne ijs een serie verdacht uitziende gaten. Verderop treffen we de schuldigen, een groep dwergvinvissen. Eerst verschijnen twee 'individuen' die een paar minuten lang voor het schip uit zwemmen, dan drie vinvissen die met hun neus recht op uit een wak rijzen om een kijkje te nemen. Spectaculair!

Het waait de hele dag door ten minste zestig km/uur. Op het volgende station gaat alleen de boor- en meetploeg van boord en doet snel haar werk. De wind is nu zo sterk dat we permanent bijna 5 graden richting bakboord overhellen. 's Avonds moeten we vijf uur lang stoppen wegens slecht zicht.

Zondag

Het continu zware ijs wordt vanochtend slechts eenmaal onderbroken door open water aan de schaduwkant van een kilometerbrede, platte ijsberg. Pas later op de ochtend als het een beetje licht wordt en we op ons volgende station aankomen wordt de boel wat opener en zijn er pinguïns te zien, groepjes Adélie's en een enkele keizer.

Niets lijkt echter onze kant op te komen en gezien het goede weer besluiten we er op uit te trekken om geluidsopnames met een hydrofoon te maken. Voor zover we nu kunnen horen, registreren we geen walvis- of robbengeluiden.

's Avonds vieren we de verjaardag van Johanna, de Finse zee-ijsbiologe, met een formidabele en heerlijke 'baked Alaska'-ijstaart.

Maandag

We trekken opnieuw honderd kilometer noordwaarts. Het schip baant zich schijnbaar moeiteloos een weg door het ijs door continu blokken zo groot als een huiskamer opzij te schuiven. Open water zien we vannacht alleen even wanneer we ons temidden van een zwerm ijsbergen begeven. Precies om drie uur 's ochtends gooit de stuurman naast mij op de brug onverwachts het handeltje om dat alle scheepsbellen doet rinkelen: brandoefening. Minuten later moeten we - de meesten nog halfslapend - tot in de reddingsboten kruipen, wat een beetje overdreven lijkt. De paar uur van de wacht die me nog resten, verlopen moeiteloos en caffeïne-vrij, we komen maar een enkele groep Adélie's tegen.

Overdag verlopen de activiteiten op het ijsstation vrij soepel, ondanks de halve meter sneeuw die alles bedekt en voor sommige metingen moet worden weggegraven. Een paar mensen komen mee voor een hydrofoon-opname, vooral om even een eindje van het schip te kunnen staan en van wat schaarse stilte te genieten.

's Avonds onderweg naar het volgende station worden we getrakteerd op een fantastisch schouwspel als we regelmatig groepjes van twintig tot vijftig Adéliepinguïns voorbij zien glijden, theatraal verlicht door de scheepsschijnwerpers.

Anderhalf uur lang houd ik het uit op de koude boeg, waar het geluid van brekend ijs en kwetterende pinguïns het spektakel kompleet maakt.

Dinsdag

Vroeg in de ochtend bereiken we het ijsstation op 68 zuid 175 west, omgeven door ijsbergen. Na een vroege lunch trekken we samen met de Nieuw-Zeelandse filmploeg naar de twee kilometer verderop gelegen ijsberg. Met de hydrofoon horen we krassende ijsgeluiden, maar niets van mogelijk dierlijke afkomst.

Later, wanneer we weer noordwaarts varen richting 67 zuid, verschijnt een 30 meter hoge obeliskachtige ijsberg aan de horizon. De kapitein parkeert tot op enkele meters van boeg tot berg, terwijl de filmploeg draait en bijna iedereen een camera in de hand heeft. Door de schijnwerperverlichting komen er eindeloze varianten lichtblauw uit het bizarre brok ijs. Verderop treffen we weer pinguïns, enkele keizers afgewisseld met verschillende groepjes Adélie's glijden voorbij.

Woensdag 10 juni

Kort na middernacht komen we aan op het volgende station, op een plek die volgens de radar omgeven is door ijsbergen. Later op de ochtend genieten we van het ondergaan van de volle maan en vervolgens de eerste zonsopgang sinds vier weken geleden. Het zeeijs is hier relatief dun en de boor- en meetgroep doet waarschijnlijk voor het laatst haar routinewerk. Eenmaal klaar, en net voor zonsondergang, poseren we voor een groepsfoto in de koude wind naast de boeg.

Voor de gelegenheid komen een paar mensen in tropische hemdjes uitgedost het ijs op, waardoor de fotosessie gelukkig tot een spoedig eind komt. Om zes uur 's avonds passeren we de poolcirkel en komen we weer groepjes Adélie's tegen. Over tien dagen hopen we weer terug te zijn op een groen Nieuw Zeeland, een kleur waar ik inmiddels flink naar ben gaan verlangen.

    • Robert van Dam