HET LEIDERSCHAP VAN EEN POSITIVO

De bondscoach van alle Belgen is Georges Leekens (49). Een man die bezig is met een cultuuromslag. Weg met het minderwaardigheidsgevoel. “Zijn wij varkens die niet op deze wereld thuishoren? Is er dan helemaal niks goed in België? Vast wel.”

Georges noemen ze hem in België. Omdat hij een aimabel mens is. Althans, hij gedraagt zich als zodanig. Hij wil graag vrienden zijn met iedereen. Omdat hij ervan uitgaat dat slechts met vrienden te leven valt en slechts met vrienden prestaties te leveren zijn. Vijandig gezinde mensen wenst hij niet vijandig tegemoet treden. Met Georges Leekens valt te praten - als je maar luistert.

Het is nog altijd wennen voor de Belgen. Zo'n man die een positieve levensvisie uitstraalt. Een bondscoach die hand in hand met zijn spelers het veld opgaat en zich hand in hand en met opgeheven hoofd door de gewijde klanken van Brabançonne laat besprenkelen. In de stromende regen vierde hij samen met zijn spelers de kwalificatie voor het WK. Nat worden na een overwinning doe je samen. En dan de manier waarop hij de cynische Belgische media toespreekt. Zonder voetbalsuccessen geen abonneewinst en geen hoge kijkcijfers, geeft hij hun te verstaan. Een beetje lachwekkend toch wel, vinden de meeste Belgen nog steeds.

Leekens is sinds hij in januari 1997 werd geroepen tot het ambt van bondscoach der Belgen bezig met een cultuuromslag. “Belgen hebben niet de arrogantie van Hollanders. Arrogant willen we natuurlijk niet worden. Maar een beetje meer zelfwaardering kan geen kwaad. Niks is goed in België, is de teneur. De mensen deugen niet, de regering deugt niet, de politie deugt niet, de journalistiek is niks, het voetbal is helemaal niks. Ik heb de pers gevraagd: 'Is er dan niks goed in België? Vast wel. Zijn wij varkens die niet op deze wereld thuishoren?' Dat zal toch niet waar zijn, hè? Laten we eens uitgaan van wat we wel hebben. Als het niet veel is, dan is er vast wel iets waar we positief over kunnen zijn. Dat we elkaar hebben, dat we samen kunnen lachen en samen kunnen voetballen. Dat is toch iets om mee te beginnen.”

Op deze manier spreekt hij de Belgen toe. Hij heeft het niet van zichzelf. Het is de levenspositie die psycholoog Eric Berne in de jaren zestig al uitdroeg. Volwassen gedrag en zelf-leiderschap zijn de kernpunten. De visie staat beter bekend als de Ik ben oké, jij bent oké-theorie, beschreven door Thomas E. Harris. Voor iedereen die in de jaren zeventig de sociale academie heeft doorlopen is het gesneden koek. Niet ik ben niet oké, jij bent oké of ik ben ben oké, jij bent wel oké, of ik ben niet oké, jij bent niet oké. Wie het nog niet wil begrijpen zou de moeite kunnen nemen het boekje Winnen door Teambuilding te lezen. Daarin legt Georges Leekens samen Roland Juchtmans, prestatie-manager, de functie van saamhorigheid uit.

“Ouderwets, achterhaald? Hoe komt u er bij. De wereld loopt over van egoïsten. Meer altruïsme zou beter zijn”, roept Leekens op een toon die de zedenprediker in hem verraadt. “We zijn er voor elkaar. Belgen heeft geen grote voetbalsterren meer. Maar degene die er wel zijn, verdienen respect. Nilis speelt in Nederland geweldig, omdat hij daar krediet krijgt van pers en supporters. Toen hij bij Anderlecht speelde, werd hij elke week afgedroogd. Oliveira speelt in de Italiaanse competitie bij Fiorentina naast Batistuta en houdt Edmundo uit het elftal. In België werd hij na één mislukte actie weggeschreven en weggehoond. Wilmots en De Bilde staan toch in Duitsland en Nederland hoog aangeschreven, maar hier zijn ze aan het kruis genageld.”

Het gaat hem er niet om deze voetballers als sterren te bewieroken. “Het gaat om waardering. Met samen doen bereik je meer dan elkaar uit de weg gaan. Ik ben er niet voor om Oliveira, Nilis en Scifo te iconiseren. Daarvan raken ze alleen maar in de war. Ook zij moeten begrijpen dat ze moeten samenwerken en niet in hun eentje het elftal kunnen laten winnen. Zonder de mindere voetballers zijn de beste voetballers ook niks. Een speler die van nature een leider is, denkt al collectief. Doet hij dat niet, dan is hij geen leider. Een echte leider staat open voor anderen en andere ontwikkelingen. Het probleem is dat we in het elftal geen leider hebben. Dus moet ik het voorlopig maar doen.”

Wordt u niet een beetje arrogant, meneer Leekens? “Ja, ze vinden me arrogant. En dat ben ik ook. Ik weet ook dat ik het ben. Ik ben met mezelf ingenomen. Als ik dat niet zou zijn, zou er niets van mij en de Belgen terechtkomen. Ik ben niet zo arrogant als Hollanders, die te vaak en te hard roepen dat ze het voetbal hebben uitgevonden. Ik ben geen Louis van Gaal, een man met onmiskenbaar enorme kwaliteiten als groepsleider, maar toch te veel met zichzelf bezig. Te vijandig ook. Ik weet wat ik wil en ik weet dat ik het niet alleen kan. Ik sta open voor iedereen. Ik heb niet de wijsheid in pacht, maar ik draag wel uit wat ik voel en wat ik ambieer. U mag me bekritiseren, zoveel u wilt. Het is niet leuk. Maar ik wil het wel horen.”

Teambuilding, dat is toch ook vergrijzing? Sport is toch gebaat bij helden en sterren waarmee de supporters zich kunnen vereenzelvigen? Wat moeten we met grijze muizen en vriendelijke jongens die gezellig met elkaar wereldkampioen willen worden? De vraag wordt gesteld tijdens de presentatie van Leekens' boekje in Antwerpen. In de zaal zit Eddy Merckx, groot wielrenner, held in de jaren zeventig, rolmodel van alle Belgen. Een verwijzing naar hem zou Leekens op andere gedachten kunnen brengen. Leekens luistert aandachtig en antwoordt zonder spoor van schrik: “Zonder zijn knechten had Eddy niet zoveel gewonnen. Hij had ook aandacht voor zijn ploeg. Dat was de kracht van Eddy. Dat het volk en de pers alleen maar aandacht voor Eddy de winnaar had, was niet de schuld van Eddy.”

Wel sterren, maar geen primadonna-gedrag. Is dat het? “Juist, meneer de Hollander. Een ster met een persoonlijkheid is het voorbeeld voor de jeugd. Spelers als De Bilde, Scifo en Oliveira moeten er niet van uit gaan dat ze zich alles kunnen permitteren. De beste zijn geeft nog geen privileges. Ik was speler bij Club Brugge onder Ernst Happel. Een groot trainer, een groot zwijger en groot dictator. Toen ik hem een keer mijn mening zei, luisterde hij slechts en zei toen: 'Dank u'. Hij liep weg en zette me een paar weken bij de reserves. Dat is niet meer van die tijd. Zo wil ik niet met spelers omgaan. Ik luister en zeg wat ik vind en daarmee uit en over. Meer niet, ik ben ook geen mister simpatico.”

Aan de hand van de theorieën die prestatie-manager Roland Juchtmans en Leekens tijdens talrijke lezingen uitdragen aan mensen uit de sport en het bedrijfsleven, legt Leekens zijn wijze van coachen uit. Hij heeft het over ontwikkelingsfases als oriëntatie, ontgoocheling, oplossing en productie, en over de kunst van het pijnloos berispen. “Berisp zo snel mogelijk, nooit publiekelijk en dreig nooit.” Het succesverhaal van Moeskroen vindt hij het beste voorbeeld. “Een club in de tweede klasse waar het vrijheid en blijheid was, een pint drinken en verder niet zeuren. Ik heb het stadion laten opknappen, ik heb er een organisatie neergezet en mensen aangesteld die verantwoordelijkheid wilden nemen. We promoveerden en werden toen nog bijna kampioen van België. Dat was toch goed werk van een team, nietwaar.”

Precies op het moment dat Moeskroen op weg leek naar de titel, vertrok Leekens en werd hij bondscoach van België. “Ik dacht dat ik er klaar was met het team. Dat was een misrekening. Want er was niemand die mijn taak meteen kon overnemen. Ze zagen mij als Heilige Georges en dat ben ik niet. Als je een team neerzet, mag het nooit uiteenvallen wanneer er een pion wegvalt. Iedereen moet vervangbaar zijn. Dat het Moeskroen niet meer goed gaat, is maar voor een deel mijn schuld. Het andere deel van de schuld dragen de mensen die meenden dat het zonder mij niet ging. Ik ben geen heilige, niemand is een heilige. Iedereen is er voor elkaar. Niemand mag zichzelf de belangrijkste van de wereld vinden.”

De Belgen waren het niet gewend dat de bondscoach met de spelers op gezelschapsreis ging, karten of bij de ouders van de slachtoffers van Dutroux langs. Samen dingen doen, samen lief en leed delen. Elkaar leren kennen buiten het veld. Een sfeer creëren rond de Rode Duivels. “Ja, ook commercieel. Waarom niet? Het volk moet zich één voelen met de Rode Duivels. In Nederland doen ze dat al veel langer. Daar bloeit het voetbal toch, daar is toch iedereen vóór Oranje. Wij moeten onze achterstand op andere voetbalnaties compenseren. Als we de klasse niet hebben, moeten we naar een positieve sfeer zoeken. Dan komt de rest vanzelf. Spelers die niet meedoen op de training, spelers die niet recht door zee zijn en spelers die klagen bij de pers, dragen niet bij tot die sfeer. Alle neuzen moeten dezelfde kant op staan, zeggen ze toch in Nederland.”

Bij de presentatie van zijn boekje toont hij nog eens zijn levenspositie van Ik ben oké, jij bent oké. “Guus Hiddink is mijn vriend. We hebben veel gemeen, Guus en ik. We zijn samen op reis geweest in Frankrijk om de locaties te bekijken. Dat kun je ook doen als je rivalen bent.”

Toch vreemd, trainers van aartsrivalen die elkaar op de schouders slaan. Het gaat toch wel ver, oorlog maken hoeft ook niet, maar zo vriendelijk zijn? “Meneer, u bent niet van deze tijd”, zegt hij even later als de sessie is afgelopen. “Waarom zouden we niet zo met elkaar om kunnen gaan. Voetballen is een zaak van leven en dood. Voetbal is een bedrijf, waar meer op het spel staat dan alleen emotie. Daar zeg ik toch niks nieuws mee.”

Leekens ziet de wedstrijd tegen Nederland niet als de belangrijkste van het WK-toernooi. “Heel België duwt ons naar die wedstrijd toe. Maar voor ons is slechts van belang dat we de tweede ronde halen. Het gaat er niet om dat we van Nederland winnen, het gaat om meer dan rivaliteit tussen Nederland en België. Ik zou graag winnen, want dat doe ik nu eenmaal graag. Iedere Belg wil winnen van Nederland. Maar het gaat om continuïteit in het Belgische voetbal. Daar werk ik aan. Het mag niet zo zijn dat heel België in rouw is als we van Nederland verliezen en roept dat 'het toch weer niks is'. Hoofd omhoog, fier zijn een Belg te zijn. Dat hebben we nog nooit gehad.”

Het gesprek wordt plotseling onderbroken door een meisje. Het is zijn dochter. “Dag, mijn lief”, zegt Leekens midden in een ellenlange zin. “Ja, lief, ik ga er meteen mee stoppen. Jij weet wat ik doen moet. Ik praat al te veel over voetbal. Er is meer dan voetbal zou ik bijna zeggen.” Het meisje aait haar vader over zijn hoofd. Zijn ogen stralen en hij grijpt zijn dochter vast om haar middel. Ze vormen een team. Ze weten dat er meer is dan voetbal. Thuis ligt haar moeder en zijn vrouw ernstig ziek te bed. Al bijna twee jaar geleden kreeg ze een herseninfarct. Sindsdien weet ze nauwelijks nog dat ze leeft. Georges Leekens praat er nooit over.

    • Guus van Holland