Het formatieproces

BIJNA ZES WEKEN zijn er verstreken sinds de verkiezingen, maar enig zicht op een nieuw kabinet is er nog steeds niet. Op zich is dat niet opzienbarend. Voor Nederlandse begrippen is de kabinetsformatie immers nog jong. In de naoorlogse geschiedenis was alleen het kabinet Drees-Van Schaik, dat regeerde van 1948 tot 1951, binnen zes weken geformeerd. Alle andere formaties duurden langer, met als triest hoogtepunt die van 1977, die niet minder dan zeven maanden in beslag nam. Met andere woorden: vanuit historisch perspectief bezien kunnen de drie informateurs en de drie onderhandelaars van PvdA, VVD, en D66 nog rustig geruime tijd op de huidige manier doorgaan.

Toch krijgt de gang van zaken rond de huidige kabinetsformatie een met de dag onbevredigender karakter. Het gaat hierbij niet zozeer om het gebrek aan openbaarheid. Beslotenheid hoort nu eenmaal bij het onderhandelingsproces waardoor coalitiekabinetten tot stand komen. Daarbij komt dat de zaken waarover de onderhandelaars het met elkaar eens zijn geworden wel degelijk naar buiten worden gebracht. Zo is inmiddels bekend dat een tweede paars kabinet het op een andere wijze aanstellen van de burgmeester gaat onderzoeken, het homohuwelijk mogelijk wil maken, de positie van de staatssecretaris wil opwaarderen en het wettelijk recht voor werken in deeltijdarbeid wil uitbreiden.

Nobele voornemens, maar de vraag is alleen wel of dit nu onderwerpen zijn die in een regeerakkoord vastgelegd dienen te worden. Eerder wordt hiermee het vermoeden bevestigd dat er een regeerakkoord staat aan te komen waarin slechts heel weinig niet is geregeld. Met een mierenijver die niet anders dan respect kan afdwingen worstelen de fractievoorzitters van PvdA, VVD en D66 onder leiding van drie informateurs zich dagelijks van het ene naar het andere 'beleidsdossier'. Met als gevolg dat steeds meer bijzaken haast ongemerkt hoofdzaken worden.

BESLISSINGEN OVER DE werkelijke hoofdzaken blijven ondertussen uit. Conform het principe 'wie de tijd heeft, neemt de tijd' is tot nu toe elk besluit dat voor een nieuw kabinet echt van belang is om straks overtuigend te kunnen regeren naar voren geschoven. Geen afspraken dus nog over de omvang van bezuinigingen, over lastenverlichting, over tekortreductie, of over de toekomst van de luchtvaart, om maar eens enkele thema's uit de verkiezingstijd te noemen.

Wat zich wreekt is de wijze waarop momenteel wordt geformeerd. De gekozen structuur waarbij de onderhandelaars van de drie partijen drie uit dezelfde partijen afkomstige informateurs tegenover zich treffen, brengt inertie met zich mee. Iedereen wacht op iedereen bij gebrek aan urgentie om knopen door te hakken. Informateurs moeten niet alleen informeren, maar soms ook oplossingen forceren. Aan dat laatste heeft het tot nu toe ontbroken.

De traagheid van het proces wordt nog eens versterkt door de activiteiten van diverse uit de paarse Kamerfracties samengestelde werkgroepen die het voorwerk voor de echte onderhandelaars moeten verrichten. Werkende vanuit de wetenschap dat de beslissingen toch aan de onderhandelingstafel zullen vallen, komen de werkgroepen niet veel verder dan het inventariseren van de geschilpunten en de dilemma's. Daarbij is het voor de werkgroepleden weer van belang juist zoveel mogelijk zaken open te houden om wisselgeld te hebben voor die cruciale onderhandelingen. Kortom, gepraat wordt er volop, besloten des te minder.

EN ZO LEIDT een verkiezingsuitslag die aan duidelijkheid niets te wensen overliet toch weer tot een vooralsnog uitermate onduidelijk vervolg. Voortzetting van paars was de inzet van de verkiezingen. De kiezers hebben dat vertrouwensvotum op 6 mei gegeven. Maar in plaats van dat signaal te beantwoorden met een snelle, zo veel mogelijk transparante formatie, hebben de paarse partners gekozen voor een langdurig verblijf in de achterkamer.

Niet denkbeeldig is dat de macht der gewoonte van de lange formatie zich tegen de aanstaande coalitie zal keren. De onderhandelaars proberen elk mogelijk risico uit te sluiten. Risicomijdend gedrag is in dit geval echter in de eerste plaats een teken van wantrouwen. En dat is weer een slechte basis voor een hernieuwde samenwerking.