Het Bureau deprimeert ook in de werkelijkheid

Figuranten in Het Bureau, de zevendelige roman van J.J. Voskuil - zo moeten de medewerkers van het P.J. Meertens Instituut voor Volkskunde, Dialectologie en Naamkunde zich zo langzamerhand wel voelen na de verschijning van de eerste vier delen van dit megawerk. Vooral toen ze zich genoodzaakt zagen avondlijke rondleidingen te geven door het gebouw aan lezers van het boek.

De documentaire Niets mag onopgemerkt blijven, die zondagavond door de VPRO wordt uitgezonden, maakt dat gevoel ook voor de grote schare bewonderaars van Voskuil tastbaar.

De manier waarop de beoefenaars van de volkskunde over hun werk vertellen komt zo verbijsterend overeen met de deprimerende wereld van hoofdpersoon Maarten Koning, dat het voor de kijker aanvankelijk heel moeilijk is de bezigheden op het instituut serieus te nemen.

Medewerkers tonen de kaart waarop staat aangegeven in welke gebieden de nageboorte van het paard wordt begraven en waar die wordt opgehangen. Drentse boeren laten foto's zien uit de jaren vijftig van demonstraties met oude landbouwwerktuigen, waarop J.J. Voskuil, alias Maarten Koning, met pijp duidelijk zichtbaar is. Ze zijn er allemaal echt, de fiches met trefwoorden, de inmiddels op microfiches overgebrachte knipsels. De in de documentaire gelezen passages uit de roman versterken het gevoel dat dit geen documentaire is, maar de aanzet tot een verfilming van de zeven boeken.

Het gebouw aan de Amsterdamse Keizersgracht waarin het instituut tot januari van dit jaar was gevestigd en waarin het grootste deel van de opnames zijn gemaakt, is niet het decor maar de oorspronkelijke plaats van handeling. De uitschuifbare plank waarop Beerta zijn tas elke morgen neerzette, de zware schrijfmachine waarop zo driftig gehamerd werd, de allereerste bandrecorder uit 1956 - ze worden allemaal getoond. En zo wordt de scheiding tussen fictie en werkelijkheid beeld voor beeld weggebroken.

In het perspectief van het boek zijn de uiteenzettingen over een nieuw, modern logo voor het Instituut, dat inmiddels verhuisd is naar de voormalige Coca-Colafabriek in Duivendrecht, bepaald hilarisch. Waarschijnlijk zou Maarten Koning na afloop van de presentatie met hoofdpijn zijn thuisgekomen. En wat zou hij - opnieuw - treurig zijn geworden van de verhuizing van zijn instituut.

Ieder mens beleeft zijn eigen werkelijkheid. Een groot schrijver is degene die kans ziet om zijn kijk op de werkelijkheid zo dwingend onder woorden te brengen dat die door de lezer als de echte werkelijkheid wordt beleefd. De documentaire beaamt de werkelijkheid van Voskuil, zeker in het begin. Dat vindt zijn oorzaak in het feit dat de maker, Alexander van der Meer, de bril van Maarten Koning leent. Hij heeft zijn beelden zo gekozen dat ze de inhoud van het boek bevestigen. En dat effect werkt versterkt door bij de Voskuil-adepten. Want zij kunnen alleen met de ogen van Maarten Koning naar de beelden kijken.

Pas in het tweede deel van de documentaire verschuift het beeld en beginnen boek en realiteit uit elkaar te lopen. De medewerkers verzelfstandigen zich en vertellen hun eigen verhaal over de plaats die Voskuil innam in de dertig jaar dat hij aan het instituut werkte, een periode waarin hij de basis legde voor de beoefening van de volkskunde in Nederland.

Hoewel hij zijn medewerkers naar buiten toe altijd verdedigde, kon hij ook streng voor hen zijn. Zo sprak hij een machtswoord om een hem niet welgevallige publicatie te voorkomen. “Han was de baas.” Deze en dergelijke uitspraken sporen niet met het beeld dat het boek schetst.

De uitspraken van Voskuils geïnterviewde medewerkers en oud-collega's zijn overigens nogal verschillend. De een geeft toe dat het Instituut wel iets van 'een levend graf' had, de ander noemt het heel oneerlijk wat Voskuil allemaal heeft geschreven. De een doet verlegen lacherig over de plaats die hij in Het Bureau heeft gekregen, de ander hoopt dat zijn kleinkinderen trots zullen zijn dat hun opa in een zo grote roman figureert - ook al is het in een negatieve rol.

Ondanks de waardering die voor Voskuil als baas wordt uitgesproken, maakt niemand echt de indruk voor honderd procent gelukkig te zijn met het boek. Men voelt zich kennelijk gedwongen de in het boek gestolde werkelijkheid, die voor iedereen die op een kantoor werkt zo herkenbaar en daarom ook zo geloofwaardig is, te aanvaarden. Maar tegelijk wordt duidelijk dat dit Maarten Konings werkelijkheid is die, hoe overtuigend ook, niet noodzakelijk de waarheid is.

Niets mag onopgemerkt blijven (Alexander van der Meer), Ned. 3, 22.13-23.23u.

    • Herman Amelink