Handschoentje

In de crisisjaren, toen ik, aangespoord door mijn moeder, de tot mislukking gedoemde poging ondernam mij als leerling-verkoopster bij de firma Wisbrun en Lifmann nuttig te maken, kreeg ik kennis aan een jongeman. Hij droeg een scheiding in het midden van zijn glad achterovergekamde haar en vertoonde een opvallende gelijkenis met Gary Cooper. Onze wegen zouden elkaar nooit hebben gekruist als we niet iedere dag na ons werk (behalve wanneer ik late dienst had) omtrent hetzelfde uur gebruik hadden gemaakt van dezelfde lijn zes, die ons van de Grote Markt naar het eindpunt in de Insulindestraat voerde.

Op een keer zette mijn medepassagier zich echter niet zoals gewoonlijk op het voorbalkon, maar vis-à-vis met mij in de slechts uit één rijtuig bestaande en meestal halflege tram. Het gevolg was dat ik in de grootste verwarring met krampachtig afgewend gezicht naar buiten staarde, en zijn toenadering in de bocht van de Provenierssingel meer een opluchting dan een verrassing was. Tijdens de rit kwam ik te weten dat hij Henk Bijleveld heette en een baantje op een reisbureau onder Plan C. had, en aan het eindpunt was er afgesproken dat we elkaar de avond van mijn vrije dag bij de reclamezuil op de hoek van de Bergselaan en de Rodenrijsestraat, waar ik woonde, zouden zien.

Achteraf prees ik mijzelf gelukkig dat ik mijn moeder van mijn tramavontuur op de hoogte had gesteld, want enkele uren voor de ontmoeting zou plaatshebben vond zij een aan mij geadresseerd envelopje op de deurmat. Het bleek een visitekaartje te bevatten van het reisbureau Compagnie Internationale des Wagons-lits et des Grands Express Européens, waarop met vaste hand was geschreven: 'Don't forget je afspraak bij de paal.' Die avond zat ik in mijn nieuwe lichtblauwe mantelpak, dat ik aan het begin van het seizoen met tien procent korting bij Wisbrun en Lifmann had gekocht, met de afzender van het gedenkwaardige briefje onder een zoele junihemel op het dakterras van de Bijenkorf en loog, omdat Henk al twintig jaar was, zestien in plaats van vijftien jaar te zijn.

Het werd een mooie zomer, waarin Henk mij bijna iedere avond van huis kwam halen, hetgeen mijn ouders ontstemd deed vaststellen dat hij wel erg hard van stapel liep. We wandelden langs de stille kant van de Schie, waar we elkaar op het paadje met de wilde rabarber behoedzaam kusten, en zodra hij zijn salaris had ontvangen en weer over voldoende zakgeld beschikte, dronken we een vermout-soda (ik vond het niet lekker, maar wel groot staan) op het terras van Sandeman aan de Coolsingel en gingen we 's zondags dansen in Pschorr - een bijzondere luxe, aangezien de entree buiten de verplichte consumptie een gulden bedroeg. Ik was er evenmin als bij Sandeman ooit eerder geweest, en gezeten aan een tafeltje met twee kogelflesjes, zo dicht mogelijk bij het orkest van de Ramblers, misten we bijna geen dans op de vermaarde glazen dansvloer met de veelkleurige lichteffecten, die mij het gevoel gaven dat ik over een vijver met tropische vissen en waterplanten zweefde.

Toen zich in de loop van de herfst geen verandering in de situatie voordeed, vond mijn moeder dat Henk zich maar eens moest komen voorstellen, en kort daarop volgde het echtpaar Bijleveld haar voorbeeld en nodigde mij uit nader kennis te komen maken. Zo kwam het dat ik om de zondag bij hen at en zij mij, ondanks hun bedenkingen tegen mijn gering aantal jaren - mijn ware leeftijd was intussen aan het licht gekomen - en matige prestaties bij de firma W. en L., als het vaste meisje van hun enige zoon accepteerden.

In november werd ik zestien, wat minder kinderachtig klonk, en in de lente daarop werd het reisbureau bij gebrek aan belangstelling voor buitenlandse reizen opgeheven en Henk ontslagen. We gingen niet meer naar Sandeman en Pschorr, en Henk deed vrijwel niets anders meer dan sollicitatiebrieven schrijven.

Halverwege de herfst sloeg de stemming om in uitbundige vreugde toen een oom die een hoge positie bij de Rotterdamsche Lloyd bekleedde zijn neef een aanstelling op het kantoor in Batavia aanbood. Het vooruitzicht van mijn aanstaande vertrek gaf mijn ouders echter weinig reden om in de vreugde te delen, ook al waren zij ervan overtuigd dat Henk het niet lang in Indië zou uithouden. Zelf was ik daar niet zo zeker van, en op het moment dat hij mij geestdriftig het grote nieuws vertelde, met de belofte mij binnen een paar jaar te laten overkomen, wist ik eigenlijk al dat dit het einde van onze verkering betekende. Laf als ik was, durfde ik het hem niet te zeggen, ofschoon het idee dat ik hem als 'handschoentje' naar het verre warme land zou volgen me machtig interessant voorkwam en ik me tegen beter weten in door zijn enthousiasme en opwinding liet meeslepen.

Op een ochtend in het begin van januari verdrongen ouders en overige familieleden elkaar onder de kap van het Delftsepoortstation bij de trein naar Marseille, waarin Henk met vochtige ogen uit een coupéraam leunde. Toen de locomotief zich knarsend in beweging zette, begon iedereen te roepen en te zwaaien en op een sukkeldrafje mee te lopen, en terwijl Henks strakke gezicht langs mij heen schoof, hief ik een arm op en keek de wuivende handen en zakdoeken na tot de laatste wagon om de bocht was verdwenen, en een kleine wolk stoom nog even boven de rails bleef hangen.

Er volgde een levendige briefwisseling, en na acht of negen maanden werd ik opgeschrikt door de tijding dat hij mij een jaar eerder verwachtte en een begin had gemaakt met het treffen van de nodige maatregelen voor mijn reis en ons huwelijk. Er was een fotootje van de Willemskerk in Batavia bijgesloten, waar we zouden overtrouwen, en in paniek schreef ik terug dat het mij heel erg voor hem speet, maar dat ik de beslissende stap niet durfde nemen en ook mijn ouders het verdriet niet wilde aandoen. Ondanks een slecht geweten voelde ik mij onuitsprekelijk opgelucht, en als ik het mij goed herinner bestond zijn antwoord uit één regel, zonder aanhef, die mij liet weten dat ik zijn leven kapot had gemaakt - ofschoon mij later ter ore kwam dat hij nog geen jaar daarna was getrouwd.

Het visitekaartje van Wagons-lits heb ik nog lange tijd bewaard, en toen ik na de oorlog Henks overlijdensbericht in de krant las, heb ik zijn moeder, die weduwe bleek te zijn geworden, opgezocht en van haar gehoord dat hij, tweeëndertig jaar oud, in een jappenkamp op Sumatra was gestorven.

    • Tonny van der Horst