Finale in Indonesië; Het gedwongen vertrek van een correspondent

Twee jaar geleden moest Dirk Vlasblom, correspondent van deze krant in Indonesië, dat land verlaten. De vorige politieke crisis, met als middelpunt Megawati Soekarnoputri, was net in volle gang. Verslag uit een doolhof zonder uitgang. 'Ik vrees dat u vijanden hebt. Het spijt mij.'

De zomer van 1996 belooft heet te worden. De regens hebben de vuile atmosfeer boven de hoofdstad schoongewassen en op de laatste zondag van april klimt de zon in helder blauw.

Die morgen sterft Hartinah, de vrouw van de president. Naar verluidt is Ibu (moeder) Tien om vier uur bezweken aan een hartaanval. Het gerucht gaat dat de redacteur van dienst bij de staatstelevisie op dat vroege uur door de president persoonlijk is gebeld, maar uit schrik en ongeloof het doodsbericht niet durfde melden. Het wordt wereldkundig gemaakt door de minister van Godsdienstzaken bij het ochtendgebed in de Istiqlal-moskee. Pas om zeven uur rept het journaal van Ibu Tiens verscheiden. Tot tien uur zetten alle staats- en commerciële netten hun uitzendingen voort, inclusief lichte muziekprogramma's en een klucht. Dan verschijnen de dames en heren van de presentatie plotseling in hooggesloten jurken met sluiers en in donkere pakken, wedijverend in rouwbeklag.

's Middags ruk ik uit naar de villawijk Menteng. Als zes legerofficieren de kist met het stoffelijk overschot van Ibu Tien de echtelijke woning aan de Sandelhoutstraat uit dragen, kijkt de president haar in de deuropening na. Op dat moment lijkt hij zich te realiseren dat zijn vrouw voorgoed vertrekt. Arm in arm met zijn jongste dochter veegt hij zich met een zakdoek de tranen uit de ogen. Indonesië heeft Bapak nog nooit zo geteisterd gezien.

Op 9 mei 1996 pleeg ik een routinetelefoontje naar het ministerie van Informatie. Ruim drie weken eerder, op 18 april, heb ik voor de zesde keer de jaarlijkse aanvraag ingediend voor verlenging van mijn verblijfs- en werkvergunning. De immigratiedienst en het departement van Arbeid verstrekken deze pas na een positief advies van Informatie. Tot mijn verbazing geeft Mega, de secretaresse van de Directie Journalistenzaken, niet zelf antwoord op mijn vraag hoever de procedure is gevorderd. Dat doet ze anders wel. Ze verbindt me meteen door met de directeur, die kennelijk is voorbereid: “Pak Dirk, ik heb uw hoofdredacteur zojuist per brief gevraagd om u te vervangen. U zit hier al vier jaar en het is tijd dat er iemand anders komt.”

Ik ben verbluft. Dit is een nieuwe directeur; zijn voorganger heeft me meermalen op de thee genood om zijn bedenkingen tegen mijn artikelen uiteen te zetten, maar heeft nooit stappen ondernomen. Van deze man heb ik taal noch teken ontvangen, en dan nu dit! Bovendien zit ik hier al zes jaar... “Waarom hebt u geen enkel signaal gegeven dat u zoiets overwoog?”

“Die geef ik aan uw baas, niet aan u.”

Pleiten over de telefoon heeft kennelijk geen zin. Ik geef hem het faxnummer van de krant. De plaatsvervangend hoofdredacteur reageert geschokt op het telefonische nieuws en zegt na ontvangst van de fax uit Jakarta en na inwinning van juridisch advies afwijzend te zullen reageren op het verzoek om vervanging.

Een week later loop ik de directeur Journalistenzaken tegen het lijf. “Wat heb ik eigenlijk misdaan, Pak?” vraag ik hem op de man af. Hij lacht raadselachtig, mompelt iets over mijn necrologie van moeder Tien en mijn hardleersheid inzake de status van Oost-Timor, overduidelijk niet de kern van mijn zaak. Weer een lachje: “Uw hoofdredacteur heeft voorlopig niemand anders. Ik zal zien wat ik doen kan, maar ik beloof niets.”

Op 21 mei doet de directeur een advies uitgaan naar de immigratiedienst om mijn verblijfsvergunning voorlopig te verlengen met een maand, “hangende de procedure tot verlenging van het correspondentschap”. In mijn paspoort wordt 'provisional' gestempeld, voorwaardelijk. Ik lig aan de ketting, althans, dat lijkt de bedoeling.

Het is begin juni en de maand verlenging loopt binnen tien dagen af. De politieke raad van de Nederlandse ambassade gaat op 4 juni praten met de directeur Jounalistenzaken. De diplomaat krijgt te horen dat de berichten uit de Indonesische ambassade in Scheveningen niet best zijn. Zo zou de correspondent zich hebben ontpopt als 'sympathisant van OPM', de Beweging voor een vrij Papoea. Tijdens een studiedag over Irian in het Rotterdamse Museum van Land- en Volkenkunde werd een paneldiscussie gehouden die rechtstreeks werd uitgezonden door de VPRO-radio. Die had een conferentielijn verzorgd met Jakarta, zodat ik kon meedoen. Mijn bijdrage getuigde niet van sympathie voor de OPM, wel voor het lot van de Papoea's - maar dat gold evenzeer voor de andere deelnemers, onder wie een kamerlid.

Op 7 juni schrijft ambassadeur Brouwer in een brief aan de directeur-generaal Pers en Grafica van het ministerie van Informatie: “In the context of the excellent relations between Indonesia and the Netherlands, and in view of the fact that drs. Vlasblom is the only correspondent from the Netherlands accredited to your country, a non-extension of his accreditation might easily create a misunderstanding between our two countries.”

De directeur laat doorschemeren dat ik nog enige tijd aan het lijntje zal worden gehouden, maar dat de situatie niet hopeloos is. Ik krijg opnieuw een maand verlenging.

In juni voltrekt zich in Indonesië een politieke crisis. Megawati Soekarnoputri, dochter van wijlen president Soekarno en sinds enkele jaren de populairste politica van haar land, dreigt door een coalitie van ministers, militairen en afvallige partijgenoten te worden gewipt als voorzitster van de semi-oppositionele Partai Demokrasi Indonesia (PDI).

De PDI is een van de twee niet-regerende partijen die een legaal bestaan leiden in Indonesië. De quasi-partij Golkar, bestaande uit ambtenaren en gepensioneerde officieren, oefent de regeermacht uit.

Megawati Soekarnoputri spreekt de taal van de 'basis'. Haar verkiezing tot voorzitter was een omwenteling in het klein: zij zaaide binnen de grenzen van het Indonesische bestel de kiemen van een waarachtige oppositie. Toen enkele PDI'ers in het parlement suggereerden dat 'Mbak (zus) Mega' in 1998 een goede kandidaat zou zijn voor het presidentschap, achtte het establishment de maat vol.

Aan de Jalan Diponegoro, een groene laan in Menteng, huist op nr 58 het nationale hoofdkwartier van de PDI. Jarenlang was het een onopvallend kantoorpand, maar in juni wordt het opgetuigd met spandoeken en overdag bivakkeren honderden aanhangers van Megawati met rode hemden en hoofdbanden op het voorplein.

Op 19 juni trekken duizend Mega-getrouwen uit alle delen van Java van het Vrijheidsplein in het centrum van Jakarta naar het partijbureau in Menteng. De bule, de blanke, wordt begroet met opgetogen grijnzen en gebalde vuisten van in partijrood uitgedoste jongeren, huismoeders en grijsaards. Ik heb Jakarta nog nooit zo voelen zinderen.

Op 20 juni komt het tot een uitbarsting. Vijfduizend PDI-militanten trekken naar het ministerie van Binnenlandse Zaken, aan het Vrijheidsplein. Als de stoet aan de oostzijde van het plein, ter hoogte van het station Gambir, op een kordon politie stuit, bestoken enkele jonge demonstranten hen met stenen, stokken en flessen. De agenten wijken terug, honderden soldaten trekken op en hakken met knuppels en bamboelatten in op een ieder die ze op hun weg vinden.

De strijdbaarheid van de roodhemden kan niet verhinderen dat de rebellen in Medan op 23 juni een nieuw bestuur kiezen en Megawati Soekarnoputri vervangen door een meeloper. Megawati weigert te buigen: “Ik ben de voorzitter van het PDI-bestuur dat wettig en constitutioneel is verkozen voor de periode 1993-1998.” Van nu af aan zijn er twee PDI-besturen.

Mijn vrouw Astuti is intussen hoogzwanger. Het is bloedheet in Jakarta en ik heb met haar te doen.

Op 15 juli maak ik opnieuw een gang naar Informatie en krijg te horen dat mijn verblijfsvergunning voor de derde keer tot een 'provisional' beperkt blijft. De huisbazin dringt aan op betaling van de jaarlijkse huur en Arjuna Arjen, onze oudste, moet naar school. De ambassade heeft een geruststellende boodschap gekregen van Journalistenzaken: “De correspondent heeft het signaal nu wel begrepen. In augustus geven we hem een halfjaar.”

In juli houdt de Associatie van Zuidoost-Aziatische landen (ASEAN) haar jaarlijkse ministersconferentie, ditmaal in Jakarta. Nederland is sinds 1 juli een van de Europese dialoogpartners van de ASEAN. Op donderdag 25 juli tref ik minister Van Mierlo van Buitenlandse Zaken op het vliegveld voor een interview en wijs hem op mijn situatie. Volgens de ambassade in Jakarta zouden Indonesische diplomaten in Den Haag zich over mij hebben beklaagd bij Buitenlandse Zaken. De minister weet van niets. Een van de meereizende ambtenaren erkent met rood hoofd dat er inderdaad dergelijke berichten zijn binnengekomen. De minister drukt me de hand en zegt: “Laat me weten wanneer ik iets kan doen.”

De volgende avond kondigt de geboorte zich aan. Even voor de bevalling, om acht uur in de morgen, dringt het tot me door dat er iets gaande is in de stad. De gynaecoloog en de kinderarts arriveren laat in verband met wegversperringen. Tussen de bedrijven door oppert de arts om bij de parlementsverkiezingen volgend jaar maar op Megawati te stemmen.

Een zuster laat me de baby zien: “Kijk, Pak, het is een meisje.” Dolblij ben ik, het is een wolk van een meid. Astuti valt uitgeput in slaap en mijn wazige blik dwaalt door het raam naar buiten. Tegen de strakblauwe ochtendhemel tekent zich een zwarte rookwolk af die opstijgt boven Menteng. Ik verlaat als in trance het ziekenhuis. Bij de ingang staan nerveuze commando's in gevechtstenue met M-16 geweren in de aanslag. Voor het geblakerde en verzegelde partijbureau in de Diponegorostraat wemelt het van de politiemannen en militairen. De spandoeken en vaandels die het pand zes weken hebben gesierd, worden op het voorplein verbrand. Ik begin mijn onderzoek naar de toedracht.

Om 6.45 uur, kort na zonsopgang, was de stormloop begonnen. De politie had alle toegangswegen afgezet. De ongeveer tweehonderd Megawati-aanhangers die de nacht hadden doorgebracht in het partijbureau, werden ruw gewekt. Tientallen agenten in reluitrusting waren naar binnen gedrongen en hadden alle verdedigers naar buiten gesleept, getart door de toegestroomde menigte die 'Lang leve Megawati' scandeerde.

Tot half drie 's middags worden zij ongemoeid gelaten. Dan rukken agenten en militairen plotseling op. Gewapend met stokken en schilden jagen zij op de wegstuivende demonstranten, waarbij nietsvermoedende voorbijgangers harde klappen krijgen. Deze charge brengt de Mega-supporters tot razernij. Binnen enkele uren slaan de vlammen uit enkele banken en overheidsgebouwen. Die middag is de massa heer een meester in Menteng. Dikke rookwolken stijgen op van de brandende kantoorpanden. Jakarta heeft dergelijke taferelen al twintig jaar niet meer gezien.

Om vijf uur ga ik moe en bezweet terug naar het ziekenhuis. Astuti is wakker en wil weten wat er is gebeurd. Ik hou het kort. Dan brengt een zuster de fris gewassen baby binnen. Hoe gaat het meisje heten, vraagt ze. Het komt er eenstemmig uit: “We noemen haar Mieke Megawati.”

Die keuze was al acht maanden eerder gemaakt. De nummer twee zou, net als eersteling Arjuna Arjen, een Nederlandse en een Javaanse naam krijgen. Werd het een meisje, dan zou ze worden vernoemd naar haar gestorven Nederlandse grootmoeder. Als Javaanse pendant hadden we Megawati gekozen, 'wolkvrouw'. Dat Mieke Megawati ter wereld kwam op hetzelfde ogenblik dat de PDI-voorzitter hardhandig van het politieke speelveld werd verwijderd, was niet de aanleiding, maar de bezegeling van die keuze. Voor Javanen van de oude stempel onderstreepte dit nog eens dat zoiets als toeval niet bestaat.

Die week volgt een golf van arrestaties onder opposanten, die door het leger worden verdacht van een communistische samenzwering. Megawati en haar tien getrouwen moeten uitleg komen geven aan de justitiële autoriteiten, maar laten zich vertegenwoordigen door hun advocaten. Uit de fax rollen aan de lopende band namen van arrestanten, noodkreten en persberichten. Voor het drukken van geboortekaartjes ontbreekt de tijd, maar de annonce in de krant - in dezelfde editie als het verslag over de bestorming van het partijbureau - maakt veel aardige reacties los.

De nieuwe hoofdredacteur, die net vier dagen in functie is, belt: “Ik heb, vrees ik, slecht nieuws. Je verblijfs- en werkvergunning wordt definitief niet verlengd.” Hij heeft zojuist een brief van die strekking ontvangen van de Indonesische ambassade in Den Haag. Opnieuw wordt verwezen naar de “gebruikelijke termijn van vier jaar” (die ik al met twee jaar heb overschreden). De hoofdredacteur zegt contact te zullen opnemen met Buitenlandse Zaken. Ik stel de ambassade op de hoogte. Chef de mission Brouwer is met verlof in Nederland.

De volgende dag belt Mega, de assistente van de directeur Journalistenzaken. Vriendelijk informeert ze wanneer het me zou schikken haar baas te ontmoeten. De volgende dag ontvangt mijn tegenspeler van de laatste maanden me hoffelijk. Hij draait er niet omheen: “Pak Dirk, dit heb ik niet zien aankomen. Ik heb u een signaal willen geven, maar heb aan hogerhand geadviseerd uw verblijfs- en werkvergunning te verlengen. Dat advies is terzijde gelegd. In de meeste gevallen is een ondersteunende brief als die van uw ambassadeur voldoende. In uw geval heeft het niet geholpen. Ik vrees dat u vijanden hebt. Het spijt mij, want ik heb respect voor u.”

Op de ambassade ontmoet ik die middag oprechte verslagenheid. Een welwillende diplomaat toont me een roze codebericht uit Den Haag met de samenvatting van een gesprek dat op dinsdag 6 augustus ten departemente is gevoerd. De minister had vanaf zijn vakantieadres opdracht gegeven de Indonesische ambassadeur te ontbieden. De gezant verscheen die dinsdag op het ministerie, in gezelschap van zijn politieke raad, dezelfde die me eerder van 'OPM-sympathieën' had beticht. De beide heren kregen twee vragen voorgelegd: “Als de officiële termijn voor een buitenlands correspondentschap vier jaar is, waarom geldt die regel dan niet voor collega's van Vlasblom, die al veel langer dan vier jaar in Jakarta werkzaam zijn? En als het niet om de termijn gaat, maar om de inhoud van Vlasbloms werk, treden we dan niet op het terrein van de persvrijheid?”

Strikvragen, waarop geen bevredigend antwoord mogelijk is, een doolhof zonder uitgang. De ambassade in Jakarta, die me maandenlang met raad en daad heeft bijgestaan, krijgt instructie niets te ondernemen en de zaak over te laten aan Den Haag. De tijdelijk zaakgelastigde doet niettemin een laatste poging en belt naar de directeur-generaal Pers en Grafica om hem te herinneren aan de brief van Brouwer. Hij krijgt de man niet te spreken en wordt doorverwezen: “Inlichtingen over dit besluit kunt u inwinnen bij de directeur.”

De cirkel sluit zich: ik moet eruit.