Eucharistie (2)

“Waar het op neerkomt is dat symboliek de dood van een oud geloof is”, schrijft J.L. Heldring in zijn vergelijking van de teloorgang van het katholicisme met dat van het 'antieke geloof'. De eucharistie, zelfs het geloof, zou door de geest van het symbolisme zijn betekenis verliezen. Deze bewering is in meer opzichten discutabel: Heldring ziet over het hoofd dat er vanaf de oudheid een levende discussie over de status van het Avondmaal is geweest, die pas in 1215 door een pauselijk dogma beëindigd is. De reformatie (Zwingli, Calvijn) voorzag later in een symbolische duiding van de transsubstantiatie, zonder dat daarbij het mysterie van God werd ontkracht.

Ten tweede biedt symboliek geen afdoende verklaring voor de teloorgang van het 'antieke geloof', die wezenlijk anders is dan die van het christelijk geloof in onze tijd. 'Fides' (geloof, onbaatzuchtig vertrouwen), zoals door christenen gebruikt, is ten aanzien van de antieke godsdienst een moeilijk hanteerbaar begrip. Voor een aanhanger van de heidense godsdienst waren de goden er zonder meer; voor de overtuiging dat het goddelijke overal aanwezig was, was geloof niet noodzakelijk. Het is eerder de 'fides' zelf, de nieuwe verhouding waarin de mens zich ten opzichte van het goddelijke gesteld zag, waardoor de oude heidense godsdienst (mede) het loodje gelegd heeft. Symboliek was een noodzakelijk bestanddeel van de destijds nieuwe leer. Het is moeilijk vol te houden dat dezelfde symboliek nú de ondergang van het christelijk geloof zou betekenen, wat naar mijn idee nog nooit gebeurd is.

    • Diederik Burgersdijk