Zingen tegen de onzedelijkheid

Jan Smelik: Eén in lied en leven. Het stichtelijk lied bij Nederlandse protestanten tussen 1866 en 1938. Sdu Uitgevers/IJkpunt 1900, 516 blz. ƒ 49,80

In de trein naar het eerste zendingsfeest te Wolfheze in de zomer van 1863 sloeg de vrolijke stemming plotseling om in een van ernst vervulde sfeer. Mannen ontblootten het hoofd, vrouwen keken stil voor zich uit en in de wagon weerklonk het eerste vers van psalm 136, Looft den heer want Hij is goed. Zendingsfeesten waren kerkdiensten in de open lucht, waar sprekers Gods woord verkondigden en de collectezak rondging. Duizenden christenen uit heel Nederland kwamen samen om de zending, verzamelnaam voor de activiteiten ter bevordering van het protestantse gedachtengoed onder de heidenen, te vieren. In het vooroorlogse Nederland waren zendingsfeesten geliefd bij het kerkvolk, omdat men op christelijk verantwoorde wijze een 'dagje uit' was. Naast het serieuze viel er namelijk ook volop te genieten van de natuur, fanfaremuziek en zangverenigingen. Het calvinistische moreel tijdens deze zomerse zendingsfeesten was niet stuk te krijgen. In 1868 begroette het publiek een regenbui spontaan met een strofe uit psalm 84: 'En stort op hen een milden regen, Een regen, die hen overdekt, verkwikt, en hun tot zegen strekt.' Niet alleen in de kerk, maar ook in het gezin, op de (zondags)school en binnen verenigingsverband werd er door het protestants-christelijke volksdeel heel wat afgezongen. Muziekwetenschapper Jan Smelik raadpleegde voor Eén in lied en leven ongeveer 270 tussen 1866 en 1938 uitgebrachte liedbundels. Smeliks studie maakt onderdeel uit van het wetenschapsprogramma waarbinnen de Nederlandse cultuur in Europees verband wordt onderzocht. Eén in lied en leven valt binnen het door NWO opgezette onderzoeksprogramma 'Nederlandse cultuur in Europese context'.

Het christelijk denkende deel der natie kwam aan het eind van de vorige eeuw in het geweer tegen het modernisme in de Nederlandse cultuur. Dominees en andere voormannen beschouwden zingen als een probaat middel tegen geloofsafval, onzedelijkheid en drankmisbruik. De bekendste representant binnen de protestantse liedcultuur was Johannes de Heer (1866-1961). Zijn in 1905 uitgebrachte Zangbundel ten dienste van Huisgezin en Samenkomsten beleefde voor 1940 dertien herdrukken (130.000 verkochte exemplaren). De meest gebruikte en geliefde protestantse liedbundel van de twintigste eeuw kwam echter niet in aanmerking voor een schoonheidsprijs; critici wezen herhaaldelijk op taalkundige en muzikale gebreken. Vanaf 1925 was De Heer regelmatig op de NCRV-radio te horen. Zichzelf begeleidend op zijn onafscheidelijk harmonium zong hij enigszins staccato en overdreven articulerend evergreens uit zijn Zangbundel. Deze radioprogramma's, gratis reclame voor zijn werk, werden tot in het buitenland beluisterd. Maar ook De Heers vocale kwaliteiten - vastgelegd op 53 grammofoonplaten - vormen geen verklaring voor zijn populariteit. In een brief aan de NCRV vroeg een Engelsman wie toch die 'singing goat' was. Waarom was Joh. de Heer zo geliefd onder het gewone kerkvolk? In de eerste plaats diende hij God en de Mammon: de schappelijke prijs van de Zangbundel en de opdringerige reclame in bijvoorbeeld het veelgelezen christelijke gezinsweekblad De Spiegel hebben de oplagecijfers omhooggejaagd. De uit de betere protestantse milieus afkomstige samenstellers van andere liedbundels hadden nauwelijks notie van de muzikale smaak van hun achterban. De Rotterdamse smidszoon De Heer daarentegen vertolkte, in de woorden van Smelik, 'de doorleefde vroomheid' van 'maatschappelijk lager gestitueerde protestanten'. Een mooi bewijs hiervoor leverde de echtgenote van de Amsterdamse hervormde predikant M.J.A. de Vrijer. Omstreeks 1930 organiseerde deze dominee elke dinsdagavond in de Oude Kerk een bijeenkomst voor zwervers en armen uit de sloppen en stegen. Het viel mevrouw De Vrijer op dat die arme sloebers veel liederen van De Heer uit het hoofd kenden. Makkelijk in het gehoor liggende wijsjes en woorden, geleerd in de schoot van het gezin en op de zondagsschool, beklijven een leven lang.

Johannes de Heer trok zich niets aan van de kritiek die de protestantse culturele elite op zijn teksten en muziek had. De Zangbundel bracht veel zegen in huisgezinnen en op samenkomsten en dat was het hoofddoel. De Heer was niet de enige voor wie muzikale schoonheid volkomen ondergeschikt was aan de verkondiging van het evangelie. Orthodox-protestanten waren ook ten aanzien van andere kunst behoudend in hun opvattingen. In de ogen van veel negentiende- en twintigste-eeuwse critici was de komst van het calvinisme daarom rampzalig voor de Nederlandse muziekcultuur. In 1885 schreef J.P.N. Land in eerbiedige maar duidelijke taal: 'Men kan onze kerkhervormers voor veel loffelijks en degelijks dankbaar zijn, en het niettemin betreuren, dat de calvinistische wending die hun werk genomen heeft, voor de muziek moest wezen wat de winterkoude voor de tuinen is.'

Muziek die niet in het teken van het stichtelijke lied stond was volgens calvinisten vaak 'wereldsch en ijdel'. Het prikkelende en pikante ritme van G. Bizets Carmen was te erotisch en kon zondige hartstochten opwekken. Opera's bijwonen van Wagner en Mozart was niet toegestaan. Toch werden muziekstukken van deze en andere wereldse componisten bewerkt, zodat ze in huiselijke kring op het harmonium gespeeld konden worden. Calvijn verkondigde in de zestiende eeuw reeds dat alle kunsten een gave Gods waren. ARP-voorman Abraham Kuyper wist een paar eeuwen later drommels goed dat zijn achterban ook van mooie muziek wilde genieten. Om de protestanten van deze begrijpelijke zonde te verschonen, beweerde Kuyper dat het calvinisme een belangrijke bijdrage had geleverd aan de muziekkunst.

Dat muziekwetenschapper Smelik een belangrijk en geleerd boek heeft geschreven staat buiten kijf. Minutieus heeft hij de Angelsaksische en Duitse invloed op de protestantse liedcultuur in kaart gebracht. Hij ontdekte dat voor bepaalde zendingsliederen strijdlustige melodieën, zoals La marseillaise, waren gebruikt. Belangrijk is zijn conclusie dat in de talloze, door splitsingen en voor buitenstaanders vaak onbegrijpelijke theologische haarkloverijen ontstane protestantse denominaties globaal dezelfde liederen werden gezongen. Zelfs de introductie en verspreiding van het harmonium, dat calvinistische kamerorgel waaruit volgens R.N. Roland Holst 'de snotverkouden stem der menschheid schijnt te jammeren om erbarming', is niet aan zijn aandacht ontsnapt. Het is alleen jammer dat door de schoolse opzet en de overdaad aan onderzoeksgegevens geduld en doorzettingsvermogen van de lezer zwaar op de proef worden gesteld.

    • Jacques Dane