Verrassingen uit de Nijldelta; De kleine en de grote glorie van Alexandrië

Lagen de brokstukken van de legendarische vuurtoren van Pharus honderden jaren op snorkeldiepte in de haven van Alexandrië, nu zijn ze te zien op een tentoonstelling in Parijs waar Ptolemaeus, Euclides en Cleopatra een hoofdrol spelen. “Cleopatra gebruikte de 'mysteries van het Oosten' om Romeinse veldheren voor haar karretje te spannen.”

'La gloire d'Alexandrie'. Parijs, Petit Palais. T/m 25 juli. Di-zo 10u-17u40; do 10u-20u. Catalogus 340 FF, kleine gids 15 FF. Inl. 00 33 1 42651273.

De neus van Cleopatra, de Bibliotheek met een half miljoen boekrollen, de kolossale Vuurtoren op het havenhoofd - het beeld van antiek Alexandrië wordt bepaald door legendarische fenomenen. Cleopatra, eeuwen lang onderwerp van ontelbare kunstwerken, is sinds de film met Elizabeth Taylor (1963) en de strip met Asterix (1965) weinig meer in het nieuws geweest. De beroemde bibliotheek, die al in de Oudheid met de grond gelijk was gemaakt, kwam een jaar of tien geleden even in de belangstelling, toen de Egyptische staat de plannen presenteerde voor een nieuw wetenschappelijk centrum op de oude locatie. De Pharus, de vuurtoren die in de Oudheid als een van de Zeven Wereldwonderen gold, haalt de laatste jaren steeds vaker de kranten. Een onderwateronderzoek in de Alexandrijnse haven, onder leiding van de Franse archeoloog Jean-Yves Empereur, bracht vanaf het najaar van 1995 spectaculaire vondsten aan het licht: brokstukken van de hoogste verdiepingen, die in veertiende eeuw door aardbevingen waren verwoest, maar ook enorme beelden die als versiering voor de begane grond hadden gediend.

De grootste van die kolossen, viereneenhalve meter hoog en 17 ton zwaar, is het boegbeeld van de tentoonstelling La gloire d'Alexandrie, die de komende maanden in Parijs is te zien. Schoongewassen, en met behulp van computersimulaties uit verspreide brokken opgebouwd, staat hij voor de ingang van het Petit Palais: Ptolemaeus I, bijgenaamd Soter ('de Redder'), de Griekse generaal die na de dood van Alexander de Grote veertig jaar lang koning van Egypte was (323-282 vC). Hij ziet eruit als de Egyptische farao die hij zo graag wilde zijn: gekleed in een koninklijk schaamschort en met op zijn hoofd de dubbele kroon van Opper- en Neder-Egypte. En zijn statuur is in overeenstemming met zijn status in de geschiedenis: hij was de stichter van de dynastie der Ptolemaeen en gaf de aanzet tot de bloei van Alexandrië op economisch, cultureel en wetenschappelijk gebied - een bloei die pas in gevaar zou komen toen zijn bet-over-achterkleindochter Cleopatra VII de verkeerde Romeinse generaal als minnaar koos.

Het beeld van Ptolemaeus is te groot om goed te bekijken, laat staan om mooi te vinden, maar op de tentoonstelling in het Petit Palais staan aansprekender opduiksels van de Middellandse-Zeebodem. Zo is er een hoofdloos torso van meer dan een meter hoog; de gracieuze rood-granieten boezem (cup Mansfield) behoorde toe aan een koningin die werd afgebeeld als de godin Isis: op de rechterborst, temidden van fijne restjes algafzetting, is heel vaag een amulet in de vorm van een knoop te zien. En er is een obelisk, gewijd aan farao Seti (1312-1298 vC), waarop de vader van de piramidebouwer Ramses II brood en wijn offert aan de zonnegod. Honderden jaren hebben deze steenmassa's, samen met een grote verzameling sfinxen, zuilen en on-identificeerbare brokken, op snorkeldiepte (6-8 meter) tussen Alexandrië en het schiereiland Pharus gelegen. Zelfs nadat in 1961 een zes meter hoog godenbeeld uit de haven was opgetakeld, duurde het nog bijna 35 jaar voordat het team van Empereur toestemming kreeg om te gaan duiken. De directe aanleiding was de beoogde bouw van een golfbreker, die weliswaar de oude Arabische burcht van Quaitbay tegen de zee zou beschermen, maar tegelijkertijd de havenbodem met een dikke laag zand zou bedekken.

Rosetta

De Franse interesse voor antiek Egypte heeft een lange traditie. Aan het eind van de achttiende eeuw was het de veldtocht van Napoleon (en vooral de daarmee gepaard gaande roof van kunstschatten) die de aanzet gaf tot de egyptologie. Vijfentwintig jaar later ontcijferde Champollion met behulp van de drietalige inscriptie op de Steen van Rosetta het hiëroglyfenschrift, terwijl de Description de l'Egypte, de door Napoleon bestelde inventaris van monumenten, de bijbel voor egyptologen werd. En nu is het dus een Fransman die de primeur van belangrijke ontdekkingen in de Nijldelta heeft. Niet alleen onder water trouwens. Want nadat het archeologenteam van Jean-Yves Empereur de haven van Alexandrië had leeggehaald, kon het in 1996 meteen meewerken aan de noodopgraving in Necropolis, de dodenstad vlak buiten de muren die door de aanleg van een viaduct plotseling aan de oppervlakte kwam. Wat daar gevonden werd aan grafgiften - gebruiks- en kunstvoorwerpen - is voor een klein deel nu ook in het Petit Palais te zien.

La gloire d'Alexandrie is niet opgezet als een opgravingsverslag, maar als een brede kunsttentoonstelling. In veertien grote en kleine zalen geven bijna 300 voorwerpen - de meeste in de westelijke Nijldelta gevonden - een beeld van de geschiedenis en het cultureel leven van Alexandrië. Naast overblijfselen van de Ptolemaeïse hofcultuur, zoals munten en heerserskoppen, zijn er vooral hoogtepunten uit de petite histoire: een aardewerken olielampje in de vorm van de Pharus, een Egyptisch blauw vaasje met een dansscène erop, een beeldje van een leraar met het hoofd van een ezel (kennelijk gekleid door een gefrustreerde leerling). De grootste verrassing is een onlangs gevonden vloermozaïek uit een van de koninklijke paleizen. Het lijkt gisteren gemaakt; niet omdat de kleuren zo sprankelen, of omdat het ingelegde vuilnisbakkenhondje (wit met zwarte vlekken) zo levensecht is, maar omdat de afbeelding wel een kopie lijkt van het embleem van His Master's Voice - met een omgevallen bronzen vaas in de rol van koffergrammofoon.

Edisons hondje in gekleurde steentjes is reden genoeg voor een bezoek aan La gloire d'Alexandrie, dat door een gebrek aan airconditioning geteisterd wordt door Egyptische temperaturen. Maar er is nog een tweede mozaïek dat de aandacht trekt, zelfs al ben je uitgekeken op het overbekende monster in het midden, de verstenende Gorgo Medusa. In de tweede eeuw na Christus bewaakte ze de eetzaal van een patriciërshuis, vier jaar geleden werd ze zwaar gehavend opgegraven, en nu is ze haartje voor haartje gerestaureerd. Haar woeste kapsel zet zich voort in het slangenmotief van de omlijsting van haar beeltenis, én in de rest van de vloer, die is ingelegd met een futuristische explosie van stompe blauw-witte kegels. Cave Medusam!

Schliemann

De luxueuze mozaïeken dateren uit de nadagen van Alexandrië, of liever: uit de tijd dat Egypte zijn status als grootmacht allang had verloren. De echte bloeitijd van de stad, die in 331 door Alexander de Grote op de plaats van een strategisch gelegen vissersdorpje werd gesticht, was in de derde eeuw voor Christus. Het voorwerk was gedaan door Ptolemaeus Soter: nadat hij bij de verdeling van het rijk van Alexander het bewind over Egypte had gekregen, verplaatste hij de hoofdstad van Memphis naar de bescheiden Griekse kolonie tussen de Middellandse Zee en het Mareotis-meer. De stad groeide snel, maar nog stimulerender dan de bouw van paleizen, tempels en havenhoofden was de komst van het reliek der relieken: het lijk van Alexander de Grote, die bij zijn leven al door de Egyptenaren als farao (en dus als godheid) vereerd was. Ptolemaeus liet de gemummificeerde resten - op weg van Alexanders sterfplaats Babylon naar zijn geboorteplaats Pella, Macedonië - kidnappen en zette ze bij in een praalgraf. Waar precies, weet niemand. Heinrich Schliemann slaagde er een eeuw geleden niet in om de tombe te vinden, en van de Griekse archeologe die in 1996 claimde dat ze daar wel in geslaagd was, wordt niet veel meer vernomen.

Onder de opvolger van Ptolemaeus Soter, Ptolemaeus II (bijgenaamd Philadelphos omdat hij naar goed faraonisch gebruik met zijn zuster trouwde), werd Alexandrië het centrum van de antieke wereld, anderhalve eeuw nadat Athene dat was, en twee eeuwen voordat Rome dat werd. De haven werd het knooppunt van de handelsroutes tussen Afrika, Europa en Azië, de in 283 voltooide reuzevuurtoren gold al snel als het equivalent van wereldwonderen als de piramide van Cheops, de kolos van Rhodos, het Zeus-standbeeld in Olympia en het praalgraf van Mausolus in Halicarnassus. Dat de meer dan honderd meter hoge Pharus niet zaligmakend was, blijkt trouwens uit een andere vondst van de Franse onderwaterarcheologen: tientallen scheepswrakken op een steenworp afstand van het eilandje waarop de Pharus stond en dat door een dam met de haven van Alexandrië was verbonden.

Op de tentoonstelling in het Petit Palais toont een maquette hoe de Vuurtoren van Alexandrië eruit moet hebben gezien. De Romeinse wetenschapper Plinius de Oudere schreef in de eerste eeuw na Christus dat het een vierhoekig gebouw was dat naar boven toe steeds smaller werd, maar uit geïllustreerde middeleeuwse manuscripten, die ook in Parijs in de vitrines liggen, valt preciezere informatie te halen. De Pharus bestond uit drie verdiepingen: een 70 meter hoge vierhoekige basis die taps toeliep, een achthoekige toren van 30 meter, en een rond lichthuis van ongeveer 9 meter waarin een groot vuur brandde. De brandstof werd aangevoerd door een schacht, het licht werd door spiegels versterkt. De basis van de toren werd omgeven door een vierkante verdedigingswal, en op de spits stond een beeld van de god Zeus. Jammer genoeg is daarvan zelfs door de Franse archeologenploeg geen brokje teruggevonden.

De Pharus was niet het enige opvallende publieke werk dat door de eerste Ptolemaeën werd gebouwd. Ter stimulering van kunst en wetenschap werd dicht bij de haven een aan de Muzen gewijd gebouw neergezet, het zogeheten Museon waarvan de beroemde bibliotheek deel uitmaakte. Dankzij een wet van Ptolemaeus, die bepaalde dat iedere boekrol die Alexandrië 'aandeed' gekopieerd moest worden, groeide het boekenbestand binnen een eeuw aan tot 500-700 duizend perkamenten en papyri. Zo werd het hellenistische Alexandrië inderdaad een centrum van wetenschap, een baken van Verlichting in de klassieke wereld. Euclides, hoofd van de afdeling wiskunde van het Museon, formuleerde in het begin van de derde eeuw zijn Grondbeginselen van de meetkunde. De docent astronomie Aristarchus van Samos leerde zijn studenten dat de aarde om de zon draait. En de arts Herophilus maakte een zeer nauwkeurige studie van de anatomie - met behulp van vivisectie op veroordeelde misdadigers.

Fijnzinnig geïllustreerde fragmenten van deze wetenschappers, veelal overgeleverd in Arabische en christelijk-middeleeuwse manuscripten, liggen in Parijs op een enkele stap afstand van de mooiste voorbeelden van de Alexandrijnse kunst en kunstnijverheid. Twee voorwerpen stelen de show: een glazen beker met stripachtige schilderingen van Zeus als schaker van Ganymedes en Europa, en een bronzen beeldje van een geheimzinnige danseres, die ondanks een baaierd van sluiers optimaal haar rondingen toont.

Alexandrië, dat op haar hoogtepunt 700 duizend inwoners had, was een stad van tientallen nationaliteiten en godsdiensten. Dat kosmopolitisme, en vooral de vermenging van de verschillende culturen, wordt wel gezien als de basis voor de vitaliteit van de economie en de cultuur. Wat niet wegneemt dat van echte multiculturaliteit in hellenistisch Egypte geen sprake was. De Griekse bovenlaag, bestaande uit afstammelingen van de door Alexander achtergelaten soldaten én uit nieuwe kolonisten, vermengde zich weinig met de Egyptische bevolking. Zij voelde zich meer verwant met de Griekse (heersende) minderheden in de andere door Alexander gestichte kolonies in de hellenistische wereld. Vooral met hen werd gehandeld en cultuur uitgewisseld. Waarmee verklaard is waarom zoveel Egyptische exportproducten op La gloire d'Alexandrie uit afgelegen gebieden als Bactrië en India afkomstig zijn.

Oosters tapijt

Zoals Alexandrië gesticht werd door een legendarische figuur, zo verloor het haar onafhankelijkheid onder een heerseres die bigger than life was. Cleopatra VII, die in 51 voor Christus op 18-jarige leeftijd samen met haar broer Ptolemaios XIII aan de macht kwam, is de geschiedenis ingegaan als belichaming van de Oriënt en symbool van het eeuwig vrouwelijke. In werkelijkheid was ze een meedogenloze, puur Griekse intrigante die de 'mysteries van het Oosten' voornamelijk gebruikte om Romeinse veldheren voor haar karretje te spannen. Het verhaal wil dat Julius Caesar in 48 voor haar viel toen ze zich, gewikkeld in een Oosters tapijt, bij hem liet afleveren; een succesvolle introductie, want Caesar schonk haar een zoon, Caesarion, én de overwinning in de burgeroorlog die ze met haar broer uitvocht. Zeven jaar later was het Marcus Antonius die zich door de charmante Cleopatra liet verleiden. Met beduidend minder succes, want Antonius' overspel met 'die Egyptische tovenares' kostte hem zijn goede naam in Rome en hij verloor de burgeroorlog tegen Octavianus, de latere keizer Augustus. Na de zeeslag bij Aktion (31) pleegde hij zelfmoord, werd Egypte door Octavianus geannexeerd, en liet Cleopatra zich - imagobewust tot in de dood - bijten door een adder.

De samenstellers van La gloire d'Alexandrie hebben terecht niet weerstaan aan 'le mythe de Cléopâtre'. Twee zalen zijn ervoor ingeruimd, de ene behangen met filmposters en -stills, de andere met classicistische schilderijen. Aan het Cleopatra-beeld in de literatuur (Shakespeare, Shaw, Goscinny) en de muziek (Händel, Samuel Barber, Jonathan Richman) is geen aandacht besteed, waarschijnlijk omdat dat moeilijk te exposeren was. Maar de cinefiel krijgt een volledig overzicht, voorbeeldig geïllustreerd - van 'Mlle' Madeleine Roche, die Cleopatra als eerste filmster in 1909 speelde, tot en met Liz Taylor, wier présence en aankleding geparodieerd werden in Asterix en Cleopatra. Duidelijk wordt hoe het imago van Cleopatra in de tussenliggende periode steeds veranderde: onverbloemd sexy bij Theda Bara (1917), schalks en amoreel bij Claudette Colbert (1934), getourmenteerd en fragiel bij Vivien Leigh (1945).

Het uiterlijk van Cleopatra bleef in al die jaren wel grotendeels hetzelfde: donkere, zwaar opgemaakte ogen, zwarte wenkbrauwen, opvallende neus, haar tot op de schouders (vaak in fijne vlechtjes verdeeld). In het Petit Palais hangt ook nog een prototype van vóór de ontdekking van de film: het erotische schilderij La mort de Cléopâtre van Jean-André Rixens uit 1874. Met twee dienaressen naast zich ligt een Kate Winslet-achtige schoonheid (volle lippen, forse neus) dood op een bed. Ideaal geproportioneerd, naakt tot haar dijen en met een gouden diadeem op haar zwarte vlechten.

Wie wil weten hoe Cleopatra er naar alle waarschijnlijkheid echt uit heeft gezien, moet even stilstaan bij een bescheiden marmeren buste in zaal 11 van het Petit Palais. Ze werd gemaakt rond 50 voor Christus en toont de koningin van Egypte op ongeveer 20-jarige leeftijd. Je zou haar bijna niet herkennen. De ogen zijn wit en missen de sprekendheid die de filmkijker gewend is. De bovenlip is smal en de oren zijn groot. Het haar is gedaan in het zogeheten meloenkapsel dat als modieus gold onder rijke Romeinse dames: achterovergekamd in een sierlijke knot, met een brede haarband eroverheen. En de neus? De neus die volgens Pascal het aangezicht van de wereld had veranderd? Hij is lang geleden afgebroken; en terecht heeft geen restaurateur ooit aangedurfd om er een nieuwe op te zetten.

    • Pieter Steinz