Upsifreeze en andere onzin

Noel Malcolm: The Origins of English Nonsense. HarperCollins, 329 blz. ƒ 71,65 (geb.)

Het is een gangbaar idee, schrijft Noel Malcolm, dat de Engelse nonsenspoëzie begonnen en opgehouden is in de negentiende eeuw, met Edward Lear en Lewis Carroll. Er is wel eens opgemerkt dat dat niet klopt, maar niemand vóór hem heeft een studie over vroegere nonsens geschreven.

Wat Malcolm in hoofdzaak behandelt is de bloei van het genre in de zeventiende eeuw, maar wij moeten niet denken dat het toen uitgevonden is. Er zijn voorlopers aan te wijzen, ook in andere literaturen; ze komen ter sprake in de inleiding die bijna de helft van het boek in beslag neemt, een toonbeeld van onderhoudend en geleerd schrijven. Het gebeurt zelden dat een lezer zo vlug en welgemoed zoveel ongewone kennis kan opdoen als bij deze scholar-journalist.

Het lezen verloopt minder vlot wanneer de nonsens zelf begint. 'NY thalonin ythsi Coryate lachmah babowans/ O ASIAM Europam Americ-werowans' schreef Henry Peacham in een taaltje dat hij Utopian noemde, waarin John Taylor hem antwoordde met 'Thoytom Asse Coria Tushrump codsheadirustie,/ Mungrelimo whish whap ragge dicete tottrie', en zo verder. Het helpt om te weten dat Thomas Coryate in 1611 een reisboek ging publiceren dat zwaarwichtig en onnozel genoemd werd; aan de hand van dat gegeven vindt de lezer genoeg begrijpelijks in deze regels om ook uit de rest iets op te maken.

Sommige van de voorbeelden die Malcolm geeft zijn makkelijker te lezen, opgebouwd uit gewone woorden in ordelijke constructies: I tell you a jest I never did know in my life Of a man that was marry'd before he met with his wife. Het genre komt voor in een reeks gradaties van totale tot betrekkelijke nonsens. Sommige gedichten zijn zich te duidelijk bewust van hun eigen grappigheid: de meest aanstekelijke slaan een toon aan alsof hun niets onredelijks opvalt:

I grant that Rainbowes being lulll'd asleep, Short like a woodknife in a Ladies eyes; Which makes her grieve to see a pudding creep For creeping puddings only please the wise. ('Ik geef toe dat een haast ingeslapen regenboog/ Snurkt als een hakmes in een vrouw d'r oog;/ Vandaar dat zij er naar van wordt als zij de pap/ Ziet kruipen - voor een intellectueel een grap.')

Dat de nonsenspoëzie een bloeitijd doormaakte wil Malcolm niet verklaard hebben door het toeval van een paar talenten die er goed in waren. In de zestiende eeuw werd de taalgebruiker zich meer dan tevoren bewust van de mogelijkheden van zijn medium: door de studie van idiomen en van vreemde talen en door de toenemende instroom van Franse en Italiaanse en Latijnse woorden werd het een 'age of gallopping Iinguistic self-consciousness'. Aan de universiteiten en in de Inns of Court, de Londense juristenverenigingen, bestond een jaarlijkse behoefte aan epaterende verzen voor de kerstfeesten, de Christmas revels, en dat werden broedplaatsen van de nonsenscultuur. Vandaar drong de nonsens door naar andere groepen in de samenleving. John Taylor, die er de meest productieve dichter van was, werkte bijvoorbeeld als bootsman op de Theems, ver van intellectuelen en juristen.

Iedereen die wel eens het Engels van Shakespeares toneelteksten heeft bestudeerd is bekend met de overdaad van woorden waar de schrijvers van 1600 hun verhalen uit maakten. Veel van Shakespeares zinswendingen zouden schitterende delen kunnen vormen van nonsensverzen. Soms scheelt het weinig of zo gebruikte hij ze ook. Dan werden ze toch in het drama van zijn stukken opgenomen en gingen ergens over, terwijl de nonsens van John Taylor nonsens blijft, maar zij zijn van dezelfde familie in hun muziek en in hun woordenspel. Het nieuws (verteld in voorafgaande regels) schrijft Taylor ..was no sooner known at Amsterdam, But with an Ethiopian Argosey, Man'd with flap-dragons, drinking upsifreeze, They past the purple gulfe of Basingstoke. Een 'argosy' is het grootste model koopvaardijschip, 'flapdragons' zijn rozijnen geflambeerd in brandy, Basingstoke is een stad in Hampshire ver van de zee. En dan nog 'upsifreeze', de drinkwijze van de reizigers: ontleend aan 'op z'n Fries', met de betekenis van 'als Tempelieren'. Zulke regels (uit 'Sir Gregory Nonsence his News from No Place') geven een voldoening bij het declameren die niet zo literair verantwoord is maar even weldadig als een stuk monoloog van Hamlet.

Sommige nonsensgedichten in Malcolms bloemlezing zijn minder vindingrijk dan andere en sommige worden eentonig als ze lang doorgaan, maar ze roepen in hun lezer een gevoel van verwantschap op. Wie is geen nonsensdichter in het diepst van zijn gedachten? Zo brengt Noel Malcolm de lezer nader tot zichzelf en tot de Engelsen van 400 jaar geleden. Op het stofomslag staan twee ongeschoolde dansende lakeien van Inigo Jones afgebeeld: die gekwelde pretmakers op vogelpoten maken zichzelf niets wijs.

    • J.J. Peereboom