TV-slachtoffers

“Ha, eindelijk!” was de bevrijdende verzuchting die in mij opwelde na lezing van Renate Dorresteins trefzeker geformuleerde beschouwing Het fatsoen ligt aan flarden in het CS van 29 mei. Ik ben ervan overtuigd dat hier een moreel ongenoegen werd verwoord dat door velen stilzwijgend wordt gedeeld.

Het publieke F-side-gebral, de 'hufterigheid, de respectloosheid en de onbeschoftheid' van bejubelde landgenoten als Paul de Leeuw, Theo van Gogh en geestverwanten is blijkbaar zo imponerend dat er een nieuwe silent majority lijkt te groeien van mensen ('stijve harken') die niet hardop durven te zeggen dat ze zich generen en innerlijk opvreten bij de aanblik van onder enthousiast publieksgebulder uitgekafferde en vernederde tv-slachtoffers.

'Wansmakelijk is gelijk geworden aan humor, en onfatsoen aan idealisme', schrijft Dorrestein, en beangstigend genoeg lijkt zij gelijk te hebben. Door de 'nationale afspraak' over de onaantastbare status van leedvermaak als hoogste vorm van humor lijken we, aangevoerd door bovengenoemde cultuurdragers, op weg te zijn naar collectieve omgangsregels die niet veel verfijnder zijn dan die welke gelden op een soldatenslaapzaal of tijdens een studentenontgroening.

'Het zal wel aan mij liggen', waren wij al snel geneigd te denken, wanneer we als enige in de klas niet konden lachen om de meester, die een klasgenootje voor schut zette. Om niet uit de toon te vallen trokken we onze lippen dan toch maar in een krampachtige grijns en lieten onze schouders schokken van onechte pret. Het is verfrissend om in Renate Dorrestein een schoolmeisje te herkennen dat de opdringerige leukheid van de meester trotseert, stuurs voor zich uit blijft kijken en weigert mee te hinniken met de klas.