Teilhard de Chardin: Le Phénomène Humain, 1955

Pierre Teilhard de Chardin: Le Phénomène Humain. Editions du Seuil (1955), ƒ 51,60. Nederlandse vertaling: Het verschijnsel mens. Het Spectrum (1958), uitverkocht.

In 1979 ontbrandde in het Zaterdags Bijvoegsel van NRC Handelsblad een discussie over de draagkracht van de evolutieleer. Dick Hillenius sprak een paar vergoelijkende woorden over de Franse jezuïet Teilhard de Chardin (1881-1955) die het 'katholieke en orthodox protestante biologen mogelijk had gemaakt om tot de moderne evolutieleer te komen'. Rudy Kousbroek, die in het debat zijn twijfel aan de 'evolutionistische tautologieën' verwoordde, had daarentegen niks op met het 'teilhardisme' en noemde het 'een geloof dat niets verklaarde'. Het jaar daarop zette de Amerikaanse bioloog Stephen Gould in The Panda's Thumb de Fransman ook nog eens te kijk als geschiedvervalser. Teilhard zou in 1909 een apenkaak hebben bijgevijld om een Engelse connectie een loer te draaien. Sindsdien is het stil rond de oudheidkundige die geloof en wetenschap wilde verzoenen. Aan de triomfen, die Le Phénomène Humain in de jaren zestig vierde, is een eind gekomen.

Zoals de meeste geschriften van Pierre Teilhard de Chardin is ook dit boek postuum verschenen. Het werk, dat in eerste aanleg al voor de oorlog gereed was, is opgebouwd uit vier etappes: vóór het leven, het leven, het denken en het voortleven. De eerste twee delen bevatten een uiteenzetting van de opbouw van de stof en het ontstaan van het leven. Vandaag vallen de leemten in kennis op het gebied van de genetica en natuurkunde op, die na verschijning van het boek zijn aangevuld. De Big Bang bijvoorbeeld is bij Teilhard slechts een voetnoot in het ontstaan van het heelal. Ook het merendeel van de Afrikaanse vondsten van mensachtigen, door de familie Leaky, onbreekt omdat die vondsten pas na Teilhard de Chardins dood werden gedaan. Onzekerheden, als 'missing links' in evolutionaire reeksen, gaven het betoog van tijdgenoten nog een hypothetisch karakter.

De jezuïet-paleontoloog werd echter niet gehinderd door lacunes of vraagtekens in zijn ontwikkelingstheorie van de aarde. In Le Phénomène Humain worden alle gaten van begin af aan gedicht met voorkennis. Want 'is het niet eigen aan elke synthese dat het slot al in zijn aanvang verdisconteerd is?' Van begin af is de materie bezield, heeft de stof een 'binnenkant', die zich aan de blik van de schouwer onthult als een streven naar complexiteit, dat wil zeggen naar bewustzijn. Vanaf het begin is de ontwikkeling van molecuul tot cel gericht op het voortbrengen van de mens: de 'as en spits van de evolutie'.

Voor biologen is de 'levensboom' een handige illustratie van het vertakkende beginsel van de evolutie, waaraan alle goede en kwade vruchten van de aarde bengelen, van blauwalg tot tyrannosaurus. Bij Teilhard wordt het een boom die tot in de hemel reikt, een erehaag die de komst van homo sapiens verbeidt. Op zijn beurt wacht de mens op wat Teilhard het punt 'Omega' noemt. Het ligt voor de hand dat in zo'n geïnspireerde evolutie, die naar een voleinding der tijden opklimt, Darwins grove beginsel van natuurlijke selectie en Mendels kansberekening van de erfelijke eigenschappen een ondergeschikte rol spelen. Op meerdere plaatsen breekt de schrijver dan ook een lans voor zijn landgenoot Lamarck (1744-1829) die in het leven zelf een verlangen ('besoin') naar perfectie meende te bespeuren.

Het derde deel ('het denken') begint met een nuchtere vergelijking van de verschillende hominiden die tegen 1940 bekend waren. Teilhard de Chardin leverde zelf een belangrijke bijdrage aan de opgravingen van de Peking-mens in de jaren dertig. Gereedschappen, mogelijke samenlevingsvormen en opvattingen van de vroege mens passeren de revue. Maar allengs verlaat de schrijver de lagere sferen. Naarmate 'de geest' vaardiger wordt over Teilhard, wordt hij dat ook over de mensheid. In de eerste twee delen vulden speculaties nog de gaten en oneffenheden in feiten en theorie, in de laatste delen wijkt de theorie tenslotte voor een visioen. Temidden van de verzekering van de schrijver dat we niet met filosofie van doen hebben en dat antropocentrisme verre van hem is, vergaapt de lezer zich aan wat alleen maar een openbaring kan zijn: voor zijn ogen voltrekt zich de opgang der mensheid.

Pithecanthtropus, Neanderthaler, Cro-Magnon: de vertrouwde reeks woestelingen sjouwt een steeds zwaardere last van hersenen en dus ook van wetenschap, kunst en wetten de helling van de evolutie op. Duizelig van de hoogte maakt zich van de moderne mens een grote onrust meester, een 'tijd-ruimte'-ziekte die hem doet twijfelen aan de geldigheid van zijn reispapieren. Valse gidsen proberen zijn onzekerheid weg te nemen met individualistische en collectivistische doctrines. Maar 'de aarde is rond en zo is het denken', en dus zijn wij op elkaar aangewezen. Het samenleven op de globe dwingt tot een convergentie van lijnen die ook in het topje van Teilhards levensboom te onderscheiden is. De diversiteit van levensvormen waarin de oersoep uiteen is gespat, neemt na het verschijnen van de mens weer af. Dat is logisch, meent Teilhard de Chardin, want wij zijn de kroon op het werk. Unanimiteit is ons erfdeel. De ideologieën, die de mensen verdeeld houden, zullen het afleggen tegen het zoeken naar 'de ander'. Dat is hun van nature meegegeven. Van nature, omdat de liefde onze natuur is. De vrees dat catastrofes de voortgang der mensheid zullen stuiten is niet gegrond. Als er een grens is voor de wereld en voor ons, dan ligt die in het punt Omega waar 'Iemand' op ons wacht. Een onderscheid met andere utopistische verwachtingen, beweert Teilhard, is het persoonlijke karakter van het eind van deze wereld. In de naoorlogse toevoegsels krijgt dit Hoogste Bewustzijn, dat van het begin af het zout der aarde is geweest, zijn naam: Christus. En in de laatste zin van het boek heet het dat 'zelfs in de ogen van een eenvoudige bioloog niets zoveel gelijkenis vertoont met het menselijk epos als een Kruisweg'.

Dit is geen synthese, niet van wetenschap en geloof, van dood en leven, of lichaam en geest. In feite heeft Teilhard op de grondvesten van de toenmalige wetenschap een mystieke koepel geplant, waarin het bewustzijn verruimt naarmate de stoffelijkheid afneemt. De klampen tussen de wetenschap en de mystiek worden gevormd door het oprekken van begrippen als 'ortogenese' en 'levensboom', door de insinuatie dat de moderne wetenschap geen 'feiten' kent, en door van meet af aan een geheimzinnige 'binnenkant' te zien waar kennis ontbreekt of bestaande theorieën elkaar tegenspreken.

Het moet Teilhard ook een wankel bouwwerk hebben geleken. Om zijn stoute sprongen te rechtvaardigen herinnert hij de lezer aan de vermaarde weddenschap van Pascal die redeneerde dat het verstandig was om er maar van uit te gaan dat God bestond, voor het geval dat hij bestond. In weerwil van Teilhard de Chardins uitleg achteraf is het een God der filosofen die aan het eind der tijden wacht. Voor zijn liefdesmystiek erkent hij de invloed van Plato. De lezer die vervolgens bij zinnen komt herkent ook veel van de kosmologie van Timaios, een dialoog die volgens Bertrand Russell meer onzin bevatte dan enig ander werk van Plato. Teilhards poging de eschatologie van hemel en aarde op papier te zetten, is later door Rupert Sheldrake (A New Science of Life, 1981) en James Lovelock (Gaia: A New Look at Life on Earth, 1982) niettemin overgedaan. Want steeds zal de alchemie de wetenschap vergezellen.

    • Samuel de Lange