Tecumseh (1768-1813); Een martelaar van de frontier

John Sugden: Tecumseh. A Life. Henry Holt, 492 blz. ƒ 83,20

Duitse schrijvers weten wel weg met dappere indianen. Het fictieve prairie-opperhoofd Winnetou werd onder de pen van Karl May een archetypische nobele wilde, die zich zelfs op de valreep tot het christendom bekeerde. Maar ook enkele historische indianen spraken al vroeg tot de Duitse verbeelding, zoals de Shawnee-hoofdman Tecumseh, die van 1811 tot 1813 de laatste grote indianenopstand in de oostelijke Verenigde Staten leidde. Hij werd in Duitsland vereerd als een martelaar van het anti-modernisme; de schrijver Fritz Steuben (1898-1981) verkocht in de jaren dertig 790.000 exemplaren van 'Tecumseh-romans' als Der Fliegende Pfeil en Ruf der Wälder. Het opperhoofd was daarin uitgerust met een soort swastika van zwarte pijlen en een eigen, SS-achtig elite-legertje. Steubens werk wordt nog steeds herdrukt, zij het ontdaan van de nazistische verfraaiingen.

Ook de Brit John Sugden heeft, in zijn punctuele en uitputtende biografie Tecumseh, moeite zich aan alle loftuitingen op de Shawnee-leider te ontworstelen. Tecumseh ('Vallende ster') was 'ongebruikelijk indrukwekkend om te zien', 'genereus en humaan'. Hij tolereerde geen moord op vrouwen en kinderen, en was 'het prototype van mannelijkheid onder de Shawnees'. Maar we leren ook dat Tecumseh uitstekende tafelmanieren had, al kon hij lang 'verzonken blijven in gedachten'; dat hij 'een lichte slaper' was, en 'moeite had om langdurige relaties met vrouwen te onderhouden'. En dat, als hij kwaad was, de aderen in zijn voorhoofd opzwollen.

Correctie

Je vraagt je af waar Sugden het allemaal vandaan heeft, maar zulke argwaan blijkt hier voor een keer misplaatst. Sugdens documentatie is nauwgezet en uitputtend en zijn behandeling van de vele bronnen, van officiële documenten tot ooggetuigenverslagen, voorbeeldig kritisch. Toch komt de persoon Tecumseh niet echt tot leven; daarvoor verdwijnt hij te vaak op de achtergrond, door alle minutieus beschreven incidenten en diplomatieke verwikkelingen. Sugdens stijl is bovendien nogal plechtig, waardoor het een hele opgave wordt je door zijn vierhonderd pagina's tekst heen te werken.

Die moeite wordt gelukkig ruimschoots beloond. Sugden sympathiseert weliswaar met het lot van de indianen, maar hij beschrijft hun langdurige en brute conflict met de blanke kolonisten nu eens niet in sentimentele of romantische termen. Hij doet recht aan de complexe relaties tussen indiaanse stammen en Europese handelaren en kolonisten, en aan de Brits-Amerikaanse conflicten waarin de indianen hopeloos verstrikt raakten. Daarmee is zijn boek méér dan de eerste volwaardige biografie van Tecumseh, het is een kroniek van de culturele clash tussen inheemsen en kolonisten.

Een bijkomende verdienste van dit boek is dat het een correctie aanbrengt op het huidige populaire beeld van die culturele botsing, dat vooral wordt beheerst door wat zich na 1860 ten westen van de Mississippi heeft afgespeeld. Prairie-indianen domineren de mythologie van de Amerikaanse frontier. Met hun verwanten ten oosten van de Mississippi is kennelijk zo grondig afgerekend, dat ze niet alleen uit hun woongebieden zijn verdwenen, maar ook uit het collectieve reservoir van de populaire cultuur.

Sugdens boek herinnert de lezer eraan dat de gewelddadigheden tussen leger, burger-milities en indianen in het Amerikaanse oosten veel heviger waren dan later in het westen. Volgens officiële cijfers kwamen in het westen van 1866 tot 1890 in totaal 948 Amerikaanse militairen om het leven bij confrontaties met indianen; een aantal dat al in één spaghetti-western wordt overtroffen. Maar in de strijd tegen Tecumseh's indiaanse alliantie werden van 1811-1815 ruim vijfduizend Amerikaanse militairen gedood of gevangen genomen.

Het schaalverschil is te verklaren uit de historische en geografische context van de Amerikaanse trek naar het westen. De gebieden ten westen van de Mississippi waren zo uitgestrekt en dunbevolkt, dat de onderwerping van de indianen er geleidelijker en met minder militair geweld kon worden voltooid. Hun lotgenoten in het veel dichtbevolkter Oosten waren daarentegen al in de zeventiende eeuw, dus nog vóór de Amerikaanse onafhankelijkheid, meegezogen in het internationale krachtenveld van Amerikanen, Engelsen, Fransen en Spanjaarden, die elk op hun beurt de inheemse bevolking gebruikten tegen hun koloniale concurrenten.

De oorlog van Tecumseh was het sluitstuk van twee eeuwen kolonisatie en indiaans verzet in het oosten. Zijn nederlaag markeerde het einde van hun hoop het tij te kunnen keren, en het begin van een hardvochtige Amerikaanse deportatie-politiek. Tientallen stammen werden gedwongen hun woongebieden te verlaten en zich te vestigen in reservaten ten westen van de Mississippi. De Shawnees van Tecumseh werden overgebracht van het bosrijke merengebied van Ohio naar een desolate grasprairie in Kansas.

Als Tecumseh's belangrijkste wapenfeit geldt zijn creatie van een alliantie onder indiaanse stammen van Ohio tot Florida, met een gedeeld 'pan-indiaans' gedachtengoed. Het land behoorde toe aan alle indianen, geen stam was gerechtigd er eenzijdig afstand van te doen. Het was 'een maaltijd met één lepel'. Dit idee van indiaanse organisatie en grondrechten was al gangbaar vóór Tecumseh, maar hij wist het om te smeden tot een militante beweging die de Amerikanen danig in het nauw bracht. Geen geringe prestatie onder stammen die elkaars taal niet spraken, geografisch geïsoleerd leefden, en vaker slaags raakten dan samenwerkten.

Tecumseh moest dus wel beschikken over uitzonderlijke persoonlijke eigenschappen; hij was een charismatisch leider en een begaafd strateeg en onderhandelaar. Maar hij was ook de juiste man op het juiste moment. De stammen tussen het Appalachen-gebergte en de Mississippi verkeerden door de opmars van de Amerikanen in een diepe crisis en waren gevoelig voor de strijdkreten van een indiaanse reveil-beweging.

Van een 'ongerepte' inheemse cultuur, zoals die nog wordt verheerlijkt in veel indianen-romantiek, was toen allang geen sprake meer. Langdurige contacten met Europese kolonisten en militairen - Fransen, Britten, Spanjaarden en later Amerikanen - hadden voor belangrijke sociale en economische veranderingen gezorgd onder de indianen. Met het inkrimpen van hun territoria en de wildstand werden ze steeds afhankelijker van inkomsten uit de bonthandel en de annuïteiten die ze ontvingen in ruil voor landconcessies. Nieuwe en oude elites bevochten elkaar het leiderschap, waarbij de inzet steeds vaker was: verzet tegen de blanken of accomodatie aan de nieuwe tijd.

Zoals nog vaker zou gebeuren - bijvoorbeeld met de 'geestesdans' onder de Sioux in 1890 - vonden de sociaal-economische spanningen onder de indianen ook een religieuze uitlaatklep. Er waren opflakkeringen van heksenjacht, altijd een indicatie van sociale onrust. Om zijn stamgenoten te mobiliseren maakte Tecumseh gebruik van de religieuze diensten van zijn eigen broer Tenskwatawa, een gerehabiliteerde alcoholist die zich onder de Shawnees ontpopte als een apocalyptisch profeet. Vooral de jonge, krijgshaftige mannen werden aangetrokken door zijn nieuwe revival-religie, die een herstel beloofde van traditionele zeden en gewoonten. Zijn volgelingen hielden zich strikt aan indiaanse voedselvoorschriften, droegen traditionele kledij en zwoeren het drinken van whisky plechtig af.

Onrust

Tecumseh, die in de Amerikaanse Onafhankelijkheidsoorlog zijn sporen als krijger had verdiend aan de zijde van de Britten, wist de religieuze beweging van zijn broer politiek te vertalen, precies waar de Amerikanen bang voor waren. Onvermoeibaar reisde hij van Ohio tot Florida om stammen te winnen voor zijn nieuwe alliantie. Het doel was van meet af aan een verzetsoorlog tegen de Amerikanen, maar Tecumseh besefte dat het van cruciaal belang was die niet te beginnen voordat een hechte eenheid was bereikt.

Toch kwam de oorlog nog te vroeg. Na jaren van incidenten, verkoop van nog meer land, en mislukte onderhandelingen, voerden de Amerikanen een strafexpeditie uit tegen de nederzetting van Tenskwatawa, 'Prophetstown'. Kort daarop brak opnieuw een Brits-Amerikaanse oorlog uit, waardoor Tecumseh voor een voldongen feit werd gesteld. De Shawnees kozen de kant van de Britten, die hen een 'bufferstaat' beloofden tussen Canada en de VS.

In de daaropvolgende twee jaar vocht Tecumseh's legertje van enkele duizenden krijgers ruim honderdvijftig confrontaties met de Amerikanen uit, met als hoogtepunt de inname van het strategisch belangrijke stadje Detroit. De indianen verhinderden daarmee een Amerikaanse bezetting van Canada, wat verklaart waarom Tecumseh in de Canadese folklore nog steeds een zeker aanzien geniet. De hoeksteen van zijn legende, noteert John Sugden terecht, werd echter zijn optreden in Fort Meigs, waar hij een handvol Amerikaanse krijgsgevangenen van de marteldood redde. Of hij nu handelde uit humaniteit of uit berekening, het maakte diepe indruk.

Maar uiteindelijk mislukte alles. Tecumseh's alliantie bleek wankel; veel stamhoofden verzetten zich tegen het nieuwe gezag van de rebellenleider. De Britten bleken bovendien opnieuw onbetrouwbare partners; in het schaakspel van de internationale diplomatie waren de indianen voor hen niet meer dan pionnen die desnoods zonder veel wroeging konden worden geofferd.

Rugdekking

Na wisselende krijgskansen trokken de Britten zich in 1813 terug in Canada, in weerwil van hun beloftes aan de Shawnees. Tecumseh sneuvelde in de slag aan de Thames, in het huidige Canada, bij een laatste poging de Britten rugdekking te geven. Zijn lijk werd gevild door souvenir-jagende soldaten en op een onbekende plek begraven. Broer Tenskatawa, profeet af, hervond de fles.

De strijd woedde in het zuiden nog een paar jaar door, totdat de Amerikanen in Florida korte metten hadden gemaakt met de laatste rebellen, de Creeks. De belofte van een 'bufferstaat' was toen al tijdens de Brits-Amerikaanse vredesbesprekingen in het Belgische Gent in rook opgegaan.

De pan-indiaanse gedachte zou nog één keer in praktijk worden gebracht, door de Sioux en Cheyennes die George Armstrong Custer in 1876 aan de Little Big Horn in de pan hakten. Daarna begon de lange mars door de rechtzalen. Tot op de dag van vandaag vechten indiaanse stammen, met wisselend succes, juridische conflicten uit over hun grondrechten. Veel films worden daar niet over gemaakt. Ook niet in Duitsland.

    • Sjoerd de Jong