Srebrenica achtervolgt Voorhoeve

Interpretaties van de gebeurtenissen rond de val van Srebrenica hebben geleid tot een controverse tussen Voorhoeve en Holbrooke.

DEN HAAG, 12 JUNI. Het drama van de val van Srebrenica op 11 juli 1995 en de daarop volgende slachtpartij onder de neus van Nederlandse VN-militairen, zonder twijfel de pijnlijkste gebeurtenis uit de loopbaan van Joris Voorhoeve als minister van Defensie, blijft hem ook drie jaar na dato achtervolgen.

In zijn onlangs verschenen boek To end a war schreef de Amerikaanse architect van de vrede in Bosnië, Richard Holbrooke, dat de Nederlandse regering had geweigerd luchtaanvallen op de Bosnische Serviërs toe te staan tot alle Nederlandse soldaten uit Bosnië waren vertrokken.

Holbrooke: “De Serviërs wisten dit, en hielden het grootste deel van de Nederlandse troepen daarom gevangen (...) tot ze hun vuile werk in Srebrenica hadden beëindigd.” De Amerikaanse ambassadeur in Den Haag zou een week lang tevergeefs hebben gebedeld om steun voor luchtaanvallen.

Voorhoeve reageerde als door een adder gebeten en zond terstond een brief aan Holbrooke om deze versie te ontkrachten. Er was volgens hem nooit sprake geweest van luchtaanvallen na de val van de enclave. Die zouden bovendien in dat stadium alleen tot meer bloedvergieten hebben geleid. De Serviërs zouden dan ter vergelding bombardementen hebben kunnen uitvoeren op de moslims in de enclave. Hij vervolgt zijn brief met een uiteenzetting dat Nederland ook voor de val van de enclave niet tegen luchtaanvallen was gekant. “Integendeel”, schrijft hij. “op 10 juli installeerden de Nederlandse blauwhelmen een versperring ten zuiden van Srebrenica juist om het gebruik van luchtmacht van de NAVO tot stand te brengen. De Nederlandse regering steunde die poging de Servische opmars tot staan te brengen krachtig en uitdrukkelijk.” Ook steunde de regering een verzoek om luchtsteun van de Nederlandse bevelhebber van het VN-contingent. Dit alles, niettegenstaande het feit dat er toen dertig Nederlandse militairen in gijzeling werden gehouden door de Bosnische Serviërs.

Voorhoeve waarschuwde op de avond van 10 juli dat de luchtaanvallen onvermijdelijk waren geworden en dat die zouden kunnen resulteren in forse verliezen onder de Nederlandse troepen. Toen er ten slotte in de middag van 11 juli enige luchtacties van NAVO-zijde werden uitgevoerd waren die volgens Voorhoeve “too little and too late”. Het Rode Kruis registreerde na de val van Srebrenica 7.079 Bosnische moslims als vermist.

Uit een in 1996 mede door deze krant uitgevoerde reconstructie kwamen aanwijzingen naar voren dat het vooral de Franse opperbevelhebber van de VN-troepen op de Balkan, Bernard Janvier, was die weinig voelde voor luchtacties. Uit de notulen van een crisisberaad op 10 juli 1995 bleek dat Janvier naar een excuus had gezocht om niet te hoeven ingrijpen: “Als iemand vraagt waarom er geen luchtsteun was kunnen we altijd zeggen dat het te gevaarlijk was voor onze eigen troepen.”

De Servische president Miloševic zei in juni 1995 de garantie te hebben gekregen dat er geen luchtaanvallen meer zouden plaatshebben zonder de goedkeuring van Chirac. In het dagboek van een anonieme VN-officier stond op 11 juli 1995 dat de Franse president Chirac daags voor de val van Srebrenica de Franse VN-bevelhebber per telefoon heeft opgedragen “de inzet van luchtsteun met een dag uit te stellen”. De Fransen zelf hebben later officieel steeds ontkend dat zij tegen luchtaanvallen gekant waren geweest.