Soap in het theehuis; Geisha-roman van Arthur Golden

Arthur Golden: Dagboek van een geisha. Uit het Amerikaans vertaald door Ronald Cohen. Anthos, 463 blz. ƒ 49,90. De Engelse editie (Memoirs of a Geisha) is verschenen bij Vintage, 435 blz. ƒ 24,40 (pbk)

De geisha heeft voor Japan gedaan wat Zeeuws Meisje voor Nederland voor elkaar heeft gekregen: beiden zijn een embleem van het nationaal karakter geworden. Waar ons botermeisje frisse onbevangenheid uitstraalt als zij met haar appelwangetjes door de wei wandelt, daar verbeeldt de geisha verstilde verfijning en ingetogen vrouwelijke charme.

Zulke clichés worden niet alleen door buitenlanders gekoesterd. Zo heet Zeeuws Meisje tegenwoordig Linda de Mol en willen we haar als schoondochter. In Japan zijn er nog steeds grote hoeveelheden Japanners die de geisha als memorabel instituut zien, ook al hebben slechts weinigen het geld en de connecties om er ooit samen mee aan tafel te zitten en voelen ze zich in een nachtclub meer op hun gemak dan in een traditioneel theehuis.

Geisha zijn, zoals hun naam al aangeeft (gei = kunst, sha = persoon), vrouwen die mannen onderhouden met hun kunsten, zang, muziek en dans, spelletjes en conversatie. Zij werken van oudsher in de entertainment business. Het misverstand dat geisha prostituées zijn is hardnekkig: al is hun kunst voor een groot deel gebaseerd op de suggestie van seks, het is geen deel van hun repertoire. Al in de zeventiende eeuw vielen zij officieel onder een andere categorie dan prostituées. In Dagboek van een geisha, de succesvolle debuutroman van de Amerikaan Arthur Golden, zegt de hoofdpersoon dan ook: 'Ik vind dat je eerst moet kijken hoe een vrouw danst en hoe goed ze shamisen speelt en wat ze van theeceremonie afweet voordat je beslist of ze wel echt een geisha is. Een echte geisha zal nooit haar naam door het slijk halen door zich voor een enkele nacht aan een man beschikbaar te stellen.' Er is veel geld nodig om een geisha in te huren als hoofdact van een diner, maar ook connecties zijn een vereiste. Die exclusiviteit waarborgt de status van deze gezelschapsdames.

In zijn zelfs door Oprah Winfrey uitverkoren roman Dagboek van een geisha biedt Arthur Golden voor de verandering van binnenuit een verslag van de 'wereld van bloesems en wilgen'. De hoofdpersoon is de ex-geisha Sayuri die terugkijkt op haar leven tijdens de hoogtijdagen van het traditionele uitgaansleven. Goldens zorgvuldig gedocumenteerde boek is, zoals hij zelf aangeeft, zwaar schatplichtig aan een echte oud-geisha en aan de nu al klassieke studie van de antropoloog Liza Dalby (Geisha, Berkeley, 1983), die in 1975 een jaar lang inwoonde in een geishahuis in Kioto en zelf als geisha debuteerde. Beide boeken lees je in een adem uit. Het verschil is natuurlijk dat Goldens boek fictie is, al begrijp ik niet waarom de roman nu zo nodig vermomd moest worden als authentiek egodocument, compleet met inleiding door een niet-bestaande professor in de Japanse geschiedenis. Het voegt niets toe en Golden zelf haalt deze fictie in het nawoord onderuit. De lezer is dat gelukkig al snel vergeten, omdat hij meegesleept wordt door het verhaal dat Golden Sayuri vertellen laat.

En wat een verhaal is dat! Navertellen doet het boek geen recht. De plot is een veredelde soap en het drama romantisch, zoals de meeste verhalen waarvan je niet kan afblijven, maar Golden weet zo knap historische informatie over devooroorlogse geishawereld en haar rituelen te vermengen met overtuigende karakterschetsen dat je als lezer weinig tijd overhoudt om je daar druk over te maken. Als kind van een berooid vissersechtpaar wordt Sayuri in de jaren twintig van deze eeuw verkocht aan een geishahuis in Kioto. Na een periode van vernederingen en mislukte vluchtpogingen krijgt zij de kans om een leerling-geisha te worden onder begeleiding van de befaamde Mameha, die als haar 'oudste zus' optreedt. Vanaf dat moment gaan de dingen er wat rooskleuriger uitzien, al brengen de eerste successen ook nieuwe problemen met zich mee.

Juist door de enorme informatiedichtheid dreigt Goldens boek soms wat van een voorlichtingsbrochure te krijgen. 'Ik moet eerst uitleggen wat Mameha precies bedoelde met 'oudste zus', al moet ik zeggen dat ik destijds zelf amper wist wat het inhield', is een typisch inleidend zinnetje van Sayuri. Maar wat overheerst is de licht opgetogen toon van een jonge vrouw die met grote ogen die wondere wereld van de geisha doorloopt en nooit ophoudt zich te verbazen over steeds nieuwe geheimen die onthuld worden. Een juweeltje is de beschrijving van Mameha's eerste lessen in hoe je een man alleen door hem aan te kijken over de stoeprand kan laten struikelen. Al met al ademt de roman een beheerst gebrachte, nuchtere nostalgie uit. Sayuri is trefzeker in de keuze van haar herinneringen; de oude vrouw die haar eigen leven beschrijft herkent zich nog steeds in het meisje van toen, maar weet heel goed hoe het verhaal afloopt.

Het speelveld van Sayuri's 'bloesems en wilgen wereld' was veel groter dan nu. In 1938 telde Tokio alleen al zo'n 14.000 geisha's; nu is daar maar een paar procent van over. Toch is Sayuri's terrein duidelijk afgebakend; het is de afgeschermde wereld van de geishahuizen en de besloten feestjes voor de hele rijken. Die relatief gesloten ruimte geeft Goldens boek kracht; juist de gegeven beperkingen van het toneel zorgen ervoor dat de spelers alle aandacht kunnen krijgen. Vriendschap en verraad, angst en trots, binnen de muren van een geishahuis voelen ze intenser aan.

Als Sayuri haar droom heeft verwezenlijkt, namelijk de maîtresse worden van haar eerste vlam, krijgt het verhaal een mooie wending. Het doel is bereikt, de happy ending is daar, maar de regisseur van onze levens komt niet uit Hollywood en dus leven we daarna gewoon verder met nieuwe sores. Sayuri eindigt, uit vrije wil, alleen in New York. Dat is een passende setting voor een mooi verhaal over een eigenlijk voorbije wereld, verteld door een getalenteerd romanticus uit het westen.

    • Ivo Smits