Romeinse wegen; Voor keizer, leger en handel

Raymond Chevallier: Les Voies Romaines. Picard, 343 blz. ƒ 143,50

'Zonder transport staat alles stil' luidt de laatste zin uit een radiocommercial van het verbond van Nederlandse transporteurs. Meer nog dan de slagzin van de Nederlandse vervoerders zou dit echter de lijfspreuk van achtereenvolgende Romeinse machthebbers geweest kunnen zijn. Want als vrijwel geen ander, behalve misschien de Chinese keizers, hebben de Romeinse overheersers het belang van goede verbindingen voor het instandhouden van hun imperium ingezien.

De aanleg van een vrijwel perfecte infrastructuur - zeker gezien de technische middelen waarmee gewerkt werd - bleek overigens niet alleen uit strategisch oogpunt een meesterzet. Ook economisch en cultureel vormde het door de Romeinen aangelegde wegennet één van de belangrijkste factoren voor het enorme succes van hun expansie. Dankzij de relatief snelle en goede verbindingen konden niet alleen goederen maar ook ideeën zich met een tot dan toe ongekende snelheid over Europa en Noord-Afrika verspreiden.

Het Romeinse wegennet, dat op het toppunt van de Romeinse macht vele tienduizenden kilometers telde en dat de Sahara verbond met het noorden van Engeland en de havens aan de Noordzee met Istanbul, heeft tot ver in de Middeleeuwen zijn belang behouden. De door Romeinen aangelegde verbindingswegen bleven de belangrijkste verkeersaders in grote delen van Europa. En zelfs nu nog rijden er dagelijks duizenden automobilisten in Noord- en Midden-Frankrijk en grote delen van Italië over wegen waarvan alleen het wegdek modern is.

Bijna overal waar in Europa grote grondwerkzaamheden worden verricht - meestal ten behoeve van de aanleg van nieuwe infrastructuur - stuit men nog altijd op restanten van Romeinse wegen. Onlangs werden op een aantal plekken in Nederland, zowel in de omgeving van Leiden als van Utrecht, honderden meters van zo'n weg blootgelegd. En in de buurt van den Haag werden zelfs twee complete mijlpalen opgegraven.

Romantiek

Het eerste min of meer systematische onderzoek naar Romeinse wegen stamt al uit het einde van de vorige eeuw. Zo werd in 1887 in Charleroi (België) een brochure uitgegeven met de titel Quinze kilometres de la voie Romaine imperiale de Bavay a Trève parcouru en voiture. Dergelijke geschriften, meestal uitgegeven door lokale archeologische of historische gezelschappen, verschenen in die tijd overal in West-Europa. Ze pasten goed in de toen heersende romantische cultuur. In korte tijd nam daardoor de kennis van het Romeinse wegennet een enorme vlucht. Soms zelfs een iets te grote. Talrijke 'oude wegen' kregen toen volstrekt ten onrechte de titel Romeins mee. Meestal was deze constatering alleen maar gebaseerd op het feit dat de betreffende weg kaarsrecht door het landschap liep - een eigenschap van inderdaad veel Romeinse wegen - of omdat er plaatsen aan lagen met mysterieuze namen die wel naar een oorsprong in het verre Romeinse verleden moesten wijzen.

Pas in de jaren dertig van deze eeuw vonden de eerste grote synthesen plaats op het gebied van het onderzoek naar de Romeinse wegen. Over vrijwel alle delen van het Romeinse rijk verschenen standaardwerken. Zo schreef de Nederlandse archeoloog Byvanck in 1938 een vuistdikke studie La Strade Romane nei Paesi Bassi. Dit in Rome uitgegeven werk heeft overigens maar heel kort als standaardwerk voor de Romeins/Nederlandse wegenkaart kunnen fungeren. De enorme herstelwerkzaamheden en de daarbij behorende grondwerken, die in ons land na de oorlog plaatsvonden, leverden zoveel nieuw archeologisch materiaal op dat het door Byvanck geschetste beeld al heel snel moest worden bijgesteld.

Maar niet alleen in Nederland is na de Tweede Wereldoorlog enorm in het landschap ingegrepen waardoor veel archeologische informatie aan het licht kwam. Ook in andere West-Europese landen is de stroom aan gegevens in de laatste dertig jaar enorm gegroeid. Vele tientallen kilometers van het Romeinse wegennet werden herontdekt, grensforten en wegstations werden gelokaliseerd en ook de kennis van de gebruikte transportmiddelen nam enorm toe.

In een poging om meer inzicht te krijgen in het systeem van het Romeinse wegen werden vanaf het midden van de jaren tachtig op een aantal plaatsen in Europa onderzoeken in een groter verband gestart. Dat leidde in 1987 bijvoorbeeld tot een in Maastricht gehouden tentoonstelling die geheel gewijd was aan de Romeinse verbindingsweg tussen Boulogne sur Mer en Keulen. Nog niet zolang geleden verscheen over de Romeinse Rijksgrens - de zogeheten 'limes' - tussen de Moezel en de Noordzeekust een overzichtstudie. In dit boek worden aan de hand van het meest recente onderzoek alle routes die met het hele systeem van grens en grensbewaking verband hielden beschreven. En in Engeland verscheen vorig jaar een groot aantal verslagen over recent opgegraven Romeinse wegen in diverse delen van het land.

Integraal

Maar één ding ontbrak nog steeds: een integrale studie waarin het hele Romeinse wegennet behandeld werd. Aan dit gemis is onlangs een eind gekomen. Een van de grootste kenners van de Romeinse infrastructuur, de Fransman Raymond Chevallier, publiceerde het lijvige Les Voies Romaines. Hoewel in de komende jaren nog veel meer bekend zal worden over de precieze loop van bepaalde routes en er ongetwijfeld veel details over het leven langs de Romeinse wegen opgehelderd zullen worden, heeft dit boek alles in zich om de komende decennia hét standaardwerk over Romeinse wegen, wegenbouwers en transport te worden.

'De Romeinse weg' bestaat niet. Zo veel is na lezing van het werk van Chevallier duidelijk. Toch kan uit alle informatie die hij geeft globaal geschetst worden hoe een Romeinse weg eruit gezien heeft. In het algemeen geldt dat de Romeinen bij de aanleg van hun verbindingen kozen voor de meest directe route, dat wil zeggen daar waar het landschap dat mogelijk maakte. Slechts wanneer een helling van meer dan 15 procent overwonnen moest worden, werden er (zo min mogelijk) haarspeldbochten aangelegd. Voorbeelden daarvan zijn te vinden in de Appenijnen, de Alpen en in delen van Zuid-Duitsland.

Ook een te drassige ondergrond kon er de oorzaak van zijn dat men van het principe van de rechte lijn afweek. Zo volgt de weg die in de omgeving van Utrecht is teruggevonden de kronkelende zandrug langs de rivier in plaats van rechtdoor door de vochtige uiterwaarden te lopen. Voor wegen, die voor specifiek militaire doeleinden werden aangelegd - het merendeel van de lange afstandsverbindingen en alle wegen die te maken hadden met het instant houden en verdedigen van de grens - gold het principe van de rechte lijn in nog sterkere mate als voor andere, publieke wegen. De wegen waren in de Romeinse tijd gemiddeld tussen de drie en acht meter breed met uitschieters tot elf meter. De bovenlaag die bestond uit grof grint of grotere kasseien - alleen in de directe omgeving van steden werden de straten echt geplaveid - rustten op een laag van fijn grind. Alle Romeinse wegen waren voorzien van een drainagesysteem, in de lengterichting gegraven sloten langs de zijkant.

Chevalier laat aan de hand van tientallen goed gekozen voorbeelden zien dat er al van het begin af aan verschillende soorten Romeinse wegen waren met verschillende functies. Daarnaast schets hij uitgebreid de veranderingen die er in de loop der eeuwen zijn opgetreden. Een duidelijk voorbeeld is te zien in Noord-Frankrijk. Veel van de Romeinse wegen daar werden aangelegd als 'Viae Militares' - legerwegen - en hadden een strikt militair doel. Maar met het opschuiven van de rijksgrens in noordelijke richting verloren ze die functie al snel. Door de ontwikkeling van de lokale handel en de bouw van zeehavens in onder meer Boulogne sur Mer (samenhangend met de kolonisatie van Engeland) ontstond er echter de behoefte aan heel ander type verbinding. De bestaande legerwegen werden daarom aangepast aan de handel. De funderingen werden verstevigd, te steile hellingen werden voorzien van bochten en de doorwaadbare plaatsen, waar het leger gewoon door heen trok, kregen vaste oeververbindingen. Dergelijke fraaie en interessante details beschrijft Chevallier op bijna elke bladzijde.

Vooral voor Italië en Frankrijk lijkt Chevallier's boek compleet te willen zijn. Alle tot nu toe bekende details van elke door de Romeinen aangelegde weg wordt door hem behandeld. Het boek is bovendien op essentiële punten voorzien van goede en informatieve kaarten. Voor het gebied van Nederland is hij echter minder gedetailleerd. De grote lijnen worden beschreven maar veel details, die in Nederlandse deelstudies al werden behandeld, blijven bij Chevallier onvermeld of komen hooguit in een voetnoot naar voren. Ook de literatuur over de Nederlandse situatie die hij in zijn zeer uitgebreide bibliografie behandelt is een tikje mager. Toch is dit boek voor een ieder die ook maar iets over Romeinse wegen wil weten een schatkist vol onverwachte vondsten.

    • Joost Vermeulen