Opera begint met houtskoolvegen; William Kentridge tekent, filmt en regisseert

Grote poppen en tekenfilms spelen, naast echte zangers, een rol in William Kentridge's enscenering van Monteverdi's opera 'Il Ritorno d'Ulisse'. In Brussel zijn houtskooltekeningen van de Zuid-Afrikaan te zien. Tekeningen of opera, “het is een voortzetting van hetzelfde,” vindt hij.

Il Ritorno d'Ulisse, Stadsschouwburg, Amsterdam, 22 t/m 25 juni. 20u15. William Kentridge, Paleis voor Schone Kunsten, Koningsstraat 10, Brussel, tel: 003225078466. Di t/m zo, 1018u, t/m 23 augustus, gratis. Catalogus 192 blz. 980 franc.

Johannesburg is altijd dichtbij in het werk van William Kentridge. Of hij nou tekent, een film maakt of, zoals nu, een opera van Monteverdi regisseert. In zijn versie van Il Ritorno d'Ulisse ontwaakt Odysseus niet als zwerver op het strand van Ithaka, maar als hartpatiënt in een modern ziekenhuis in Johannesburg. “Ik ben nooit in staat geweest Johannesburg te ontvluchten”, bekende de ZuidAfrikaanse kunstenaar eens. “Uiteindelijk is al mijn werk geworteld in deze nogal hopeloos provinciale stad.” Het maakt zijn werk origineel, zonder dat het gekunsteld wordt. Heel geloofwaardig lijkt het dat patiënt Odysseus, vechtend tegen de dood, ijlt dat hij thuiskomt als Griekse held die twintig jaar rondzwierf na de stad Troje te hebben verwoest.

De openingsscène in het hedendaagse Johannesburg is niet de enige aanpassing die Kentridge aanbracht in de zeventiende-eeuwse opera. Hij voegde ook film toe: op een scherm achter het toneel trekken tekeningen voorbij in koortsige droomlogica. Bloed wordt zee, een baroktheater vloeit over in de straten van Johannesburg. En alsof dat niet genoeg was, liet hij de personages vertolken door zangers èn marionetten. Als toeschouwer weet je aanvankelijk niet waar je moet kijken: naar de film, de musici, de zangers of toch maar naar de ruw gesneden houten poppen, die zo expressief bewegen dat ze lijken te leven.

“Er is heel veel te zien”, beaamt Kentridge een paar dagen nadat in Brussel zijn opera in première is gegaan. “Mensen die de productie een tweede keer zien genieten meer, omdat ze meer op hun gemak zijn. Toch raken we er ook in het dagelijks leven aan gewend: de televisie aan in één kamer, de radio in een andere, tegelijkertijd een gesprek, uitzicht uit het raam en de herinnering aan de stad waar we de avond tevoren waren. De opera maakt die chaotische manier waarop we de wereld construeren duidelijk.”

Kentridge lijkt geen moeite te hebben met vragen over het waarom van zijn werk. Geduldig legt hij uit waarom hij deze opera koos - “Omdat ik Monteverdi wilde en omdat deze opera me het meest open leek voor aanpassing” - en waarom marionetten - “Omdat het publiek zich door de poppen heel goed bewust is van het kunstmatige van de voorstelling; het is alsof de marionetten de helderheid van de muziek versterken”.

De 43-jarige William Kentridge, die in Johannesburg woont en werkt, beoefent verschillende kunstdisciplines: schilderen, tekenen, acteren, regisseren van film en theater. Il Ritorno d'Ulisse is zijn eerste opera. “Een voortzetting van hetzelfde”, noemt hij de overgang van toneel naar opera. Zijn werk, hoewel altijd in Zuid-Afrikaanse setting, is geworteld in Europese tradities. Goya, Max Beckmann en Franse filmmakers van begin deze eeuw noemt Kentridge als inspiratiebron. Hij wordt wel de Zuid-Afrikaanse Anselm Kiefer genoemd, maar met die titel is hij het niet eens. “Ik houd van Kiefers werk, maar hecht ook, anders dan Kiefer, belang aan het behoud van schilderkunstige tradities.”

Documenta

De laatste jaren is Kentridge ook in Europa steeds bekender geworden. Zijn toneelstuk Ubu and the Truth Commission werd vorig jaar opgevoerd in twaalf Europese landen. Bovendien viel hij vorige zomer op tijdens de Documenta in Kassel, met zijn indrukwekkende korte tekenfilms rond de personages Soho Eckstein, vastgoedmakelaar in Johannesburg, en Felix Teitlebaum, een dromer die uiterlijk veel op Kentridge lijkt.

Met zijn animatiefilms is Kentridge toevallig begonnen, nadat hij een film over zichzelf zag waarin hij zat te tekenen. “Ik hield ervan, dat beeld dat zichzelf veranderde. Zo kwam ik op het idee.” In plaats van een smetteloze Walt Disney-achtige film op basis van duizenden, steeds andere tekeningen, gebruikt Kentridge een dertigtal houtskooltekeningen die hij wijzigt door stukken uit te gummen of toe te voegen. De tekeningen worden in ieder stadium gefilmd, wat resulteert in een wat schokkerige film waarop vaag nog de sporen van eerdere versies zichtbaar zijn. Hij koos niet met opzet voor deze techniek.

“Eerst probeerde ik het perfect te doen, maar dat lukte niet. De sporen van mislukking bleven zichtbaar. Nu zijn die sporen een van de belangrijkste onderdelen van mijn films.”

Herinneringen, de verschillende lagen waaruit het geheugen is opgebouwd, staan centraal bij Kentridge. Daarom is hij ook zo tevreden dat in zijn tekeningen de sporen van wat er aan vooraf ging nog zichtbaar zijn. Het verklaart tevens zijn fascinatie voor landschappen. “Landschap werkt als een soort metafoor voor herinnering”, vindt hij. “Een landschap kan geschiedenis absorberen, zoals passies kunnen uitsterven. Maar je kunt ze op dezelfde manier reconstrueren. Herinneringen kun je, met veel moeite, ophalen, zoals je sporen in het landschap kunt ontdekken met behulp van archeologie.”

Mooi zijn Kentridges tekenfilms niet, wel aangrijpend. De verhalen zijn doordrongen van de sociale en politieke realiteit in Zuid-Afrika, zonder dat Kentridge moraliseert. Zijn figuur Soho Eckstein, een slordig geschetste vette man in streepjespak, staat symbool voor de kapitalistische Afrikaner die zijn imperium steeds verder uitbouwt. Felix Teitlebaum is een stille, naakte getuige die vaak wordt geportretteerd op de rug, starend over een landschap. In de loop van de films groeien de twee personages naar elkaar toe en worden soms één. “In het begin was Soho een karikatuur”, zegt Kentridge. “Nu ik begrijp dat hij niet zo ver van me af staat, ben ik aardiger voor hem.”

Acht animatiefilms van Kentridge, waarvan zeven uit de Eckstein-Teitlebaum serie, zijn momenteel te zien in het Brusselse Paleis voor Schone Kunsten. In de marmeren zalen hangen ook de grote, grove houtskooltekeningen die hij gebruikt als basis voor zijn films, en een paar speciaal voor deze gelegenheid gemaakte muurschilderingen. Het is het eerste overzicht van zijn werk van de afgelopen tien jaar, vertelt Kentridge vlak voor de opening van de expositie. Zittend op een bankje voor Johannesburg, 2nd City after Paris, de eerste film uit zijn Eckstein-Teitlebaum reeks, zegt Kentridge dat tekenen voor hem “een basisactiviteit” is. “Ik houd er van, dat een streep op papier ook een tak is en een schouder. Het maakt telkens nieuwe dingen los. Als ik tekeningen maak voor mijn films, weet ik niet precies wat ze betekenen tot ze af zijn.” Zijn producties beginnen altijd als tekening. “Soms blijven het tekeningen, soms wordt het een film, soms wordt de film gebruikt in het theater, nu wordt er ook bij gezongen.”

Apartheid

De zwart-witte animatiefilms, die dezelfde associatieve logica volgen als de film in de opera, zijn verontrustend. Niet zozeer omdat ze soms gewelddadig zijn, maar omdat Kentridge vragen stelt zonder antwoorden te geven. Felix in Exile, gemaakt vlak voor de eerste algemene verkiezingen in Zuid-Afrika, gaat over de vraag hoe de herinnering levend kan worden gehouden aan de mensen die omkwamen in de strijd tegen apartheid. Vanuit een sobere hotelkamer ziet (of herinnert, of droomt?) Felix Teitlebaum een zwarte vrouw die systematisch het geweld in kaart brengt, maar die ten slotte ook zelf wordt gedood. Haar lichaam lost op in het landschap.

Landschappen zijn nooit onschuldig in het werk van Kentridge. Ze verbergen altijd een bloedbad of ander lijden. Als kind al werd Kentridge meer dan blanke leeftijdsgenoten geconfronteerd met de politieke situatie in zijn land. Hij groeide op in een joodse advocatenfamilie. Zijn overgrootvader was uit Litouwen naar Zuid-Afrika geëmigreerd en veranderde de familienaam van Kantorowitz in Kentridge. Zijn ouders, beiden advocaat, verdedigden slachtoffers van het apartheidsregime. Toen Kentridge jong was, werkte zijn vader jarenlang aan de politieke rechtszaak de 'treason trial' - 'trees and tiles' (bomen en tegels) verstond hij als peuter.

Kentridge brak met de familietraditie van advocatuur - zijn grootmoeder was de eerste vrouwelijke advocaat in Zuid-Afrika - en koos voor kunst. “Er waren genoeg advocaten in de familie”, zegt hij nu lachend. Maar in een eerder interview, opgenomen in de catalogus bij de tentoonstelling, bekende hij: “Rechten was het meest logische wat ik had kunnen doen en waarin ik het best zou zijn geweest (-). Een kunstenaar zijn was voor mij heel onnatuurlijk en moeilijk.”

Kentridge studeerde en doceerde aan de Johannesburg Art Foundation, waar werd lesgegeven zonder onderscheid naar huidskleur. Hij hield zich, in de jaren tachtig, bezig met tegen de apartheid gerichte cultuurpolitiek. “Maar dat kostte te veel energie en ik was er niet goed in”, zegt hij nu. “Altijd waren er mensen die twee uur langer op een bijeenkomst wilden blijven dan ik. Zo ontdekte ik dat ik effectiever ben als ik kunst maak in mijn atelier.”

Het werk van de Zuid-Afrikaanse waarheidscommissie, de in 1996 opgerichte Truth and Reconciliation Commission die openbare hoorzittingen organiseerde over de misdaden begaan tijdens het apartheidsregime, speelt een belangrijke rol in recente kunstwerken van Kentridge. Zijn tekenfilm Ubu Tells the Truth en het theaterstuk Ubu and the Truth Commission zijn er op gebaseerd. Net als de film History of the Main Complaint, die gaat over de bewustwording van de figuur Soho Eckstein van zijn verantwoordelijkheid tijdens het apartheidsregime. Terwijl de makelaar allerlei medische tests ondergaat, herinnert hij zich in zijn comateuze droom hoe hij een man aanreed. Met een schok wordt hij wakker en beter. Aan het eind van de film zit Eckstein weer strak in het pak achter zijn bureau en blijft het de vraag of hij echt is veranderd.

Röntgenopnamen

Beelden die ontleend zijn aan de medische wetenschap spelen een belangrijke rol in deze film, net zoals in de enscenering van Monteverdi's opera. In de tekenfilm dringt Kentridge met behulp van medische echo- en röntgenstralenopnamen door tot het innerlijk van een patiënt. “Voor mij is het een nieuwe manier om naar het lichaam te kijken”, zegt hij. “Naar de binnenkant, de delen die onzichtbaar zijn, zoals dromen, emoties en gedachten.” Dat hij medische technieken in zijn kunst is gaan gebruiken, ligt voor hem voor de hand: “Mijn vrouw is dokter, dus ik ben altijd omringd door medische beelden.”

De opera-enscenering van Kentridge, die komende weken als onderdeel van het Holland Festival te zien is, heeft geen direct verband met de politieke situatie in Zuid-Afrika meer. Betekent dit dat politiek minder van belang is geworden voor hem? “Neenee, Ubu and the Truth Commission wordt nog steeds opgevoerd”, protesteert Kentridge. “Terwijl Ubu heel specifiek gaat over politiek in Johannesburg op dat moment, gaat de opera meer over de 'politiek van emoties'. Voor mij zijn het gelijksoortige werken over dezelfde vragen: hoe worden we wie we zijn en welke invloed hebben we op ons lot.”

    • Birgit Donker