Notities van een import-Surinamer

Iwan Brave: Enkele reis Paramaribo. Terug in Suriname. Bert Bakker, 169 blz. ƒ 29,90

Kennelijk is Iwan Brave een tegendraads man. Als zevenjarige maakte hij deel uit van de exodus vanuit Suriname naar Nederland. Maar terwijl die uittocht nog altijd voortgaat, behoort Brave tot de weinigen die besloten de terugreis te aanvaarden. Sinds 1996 doet hij wekelijks in de Volkskrant verslag van zijn wederwaardigheden in het geboorteland. Dat leverde een flinke reeks mooie schetsen op, waarvan nu in Enkele reis Paramaribo een keuze is gebundeld.

Zoals gezegd, een tegendraads man. Brave, geboren in 1963, is niet mals in zijn observaties van het vaak benauwend kleine alledaagse leven in Suriname ('Het Surinaamse inburgeringscontract kent maar één bepaling: aanpassen'), maar ook in zijn kritiek op de verloedering van de politiek in de schaduw van Bouterse, en zijn spijt om het verlies van wat ooit als switi Sranan werd aangeduid. Het lukt hem niet al te veel moois op te schrijven over dit land. Maar toch wil hij er thuishoren. Slechts wie daar is, kan oordelen en spreken over Suriname; de Surinaamse gemeenschap in Nederland heeft dat recht verloren met dat gevoel keerde de journalist Brave juist terug.

Zijn rapportages leverden hem gemengde reacties op in de Surinaamse pers, en zijn bedoeling om snel in dat gremium opgenomen te worden bekoelde wat. Een toch enigszins gepriviligieerde nieuwkomer wordt in die kringen met gepast wantrouwen bekeken, leerde hij: nóg een les. Uiteindelijk gaat Brave toch ook voor de plaatselijke ochtendkrant De Ware Tijd schrijven; maar mede om zijn brood te blijven verdienen met zijn stukken schrijft hij vooral steeds meer voor Nederlandse media. De stukken die hij daarin publiceert over de verloedering van de politiek komen hem in Suriname op onverholen bedreigingen te staan van kringen rond 'Bevel', dat wil zeggen Bouterse. Zijn relaas daarvan geeft een akelige inkijk in het hedendaagse Suriname, en een eerlijk beeld van zijn eigen schrik en twijfels over de grenzen die hij in acht moet nemen.

Toch vertrekt hij niet, en hij blijft vrij ver gaan. Dat vergt moed, maar ook een plezier om net dáár te leven; het vergt, met een groot woord, liefde voor Suriname. Een van de verdiensten van Enkele reis Paramaribo is dat Brave een vrij openhartig relaas geeft van zijn ingroeien in die samenleving, een proces waarin naast ergernis ook ruim plaats is en groeit voor positieve observaties, waarbij haast onvermijdelijk het leven in Nederland als spiegelbeeld fungeert. Een lezenswaardig boek dus, een mooie mengeling van hilarische, openhartige, beangstigende, herkenbare en vlot geschreven observaties van een remigrant. Dat het boek, zoals Brave suggereert, ook gelezen kan worden 'als een handleiding voor terugkeer' lijkt echter een vrome wens. Het beeld dat na lezing blijft hangen bevestigt het idee dat Suriname op dit moment remigranten weinig te bieden heeft, nog afgezien van het feit dat Surinamers absoluut niet zitten te wachten op, in Braves woorden, een 'import-Surinamer' ofwel blaka bakra.

Triest is bovendien dat juist de voorwaarden waaronder hij kan besluiten zijn ticket voor de terugreis te laten verlopen, en zich als journalist te blijven roeren, aan weinigen gegeven zijn. Zijn in Suriname felbegeerde rode paspoort, zijn werk voor de Nederlandse pers, en zelfs een opdracht van de Nederlandse ambassade, zijn even zovele factoren die het Brave net iets gemakkelijker maken om te schrijven wat hij vindt dat geschreven moet worden. Dat doet wat mij betreft geen afbreuk aan zijn persoonlijke integriteit en moed; een ongelukje is in Paramararibo immers snel geënsceneerd. Duidelijk is echter dat hiermee zijn 'enkele reis' althans in figuurlijke zin zeer betrekkelijk is. Ook voor Brave kan Suriname niet bestaan zonder de Nederlandse connectie.

Symbolisch besluit Brave zijn boekje met het stuk 'Geluksroes in het oerwoud', een verslag van een bezoek aan een marrondorp. Nadat ruim twee eeuwen geleden hun voorouders als gevluchte slaven hun vrijheid zwaar bevochten op de Nederlanders, voeren deze marrons ('bosnegers') nu een ongelijke strijd tegen opdringende houtkapbedrijven en goudzoekers die het op een akkoordje hebben gegooid met de Surinaamse regering. Als hij zich engageert met deze marrons in hun strijd voor hun land en bestaan, voelt hij zich minder toeschouwer, meer Surinamer, en weet hij dat hij wil blijven, pikin fu gron, landskind. 'Het minste wat ik kan doen is de mensen moed inboezemen door te blijven. Dat is hard nodig, want weinigen geloven nog in hun switi Sranan', schreef hij al eerder.

Je kan slechts hopen dat hij het volhoudt. Niet alleen omdat Brave uit het boek naar voren komt als een sympathiek en bedachtzaam mens die je het beste gunt; maar ook ten behoeve van die marrons, en zovele anderen in Suriname die steun en een kritische pers hard nodig hebben. Het zou nuttig en mooi zijn als Enkele reis Paramaribo ook dáár betaalbaar te koop zou zijn. Maar ook dat kan voorlopig niet, althans niet zonder Nederlandse steun - een paradox die Brave wel kent maar niet uitbeent.

    • Gert Oostindie