Kanttekeningen bij ons utopische verlangen; Alles te kiezen en toch geen keus

Afgelopen half jaar zijn twee filosofische studies verschenen over de erfenis van de utopische verleiding die de 20-ste eeuw nadrukkelijk in haar greep had. Maar het verlangen blijft, zo blijkt bijvoorbeeld uit de literatuur.

Hans Crombach & Frank van Dun: De utopische verleiding. Contact, 278 blz. ƒ 49,90

Hans Achterhuis: De erfenis van de utopie. Ambo, 431 blz. ƒ 49,50

Wilt u een diagnose van de geest van onze tijd? Draai het volume op en luister. Eerst, vanuit de verte, naderen verwaaide elektronische geluiden die u kunt herkennen als de opmaat tot een ritme uit de wereld van de dance. Dan, nog voor dat ritme losbreekt, is er plotseling een mannenstem. Staccato, jachtig. Met een boodschap.

Choose life. Choose a job. Choose a career. Choose a family. Choose a big television. Choose washing machines, cars, compact disc players, and electrical tinopeners.

Volgt een adempauze, maar niet meer dan een split second, want nu komt de stem pas goed los. Hij somt een enorme waslijst op, als een nerveuze kelner die teveel op het menu heeft. Want wat valt er niet te kiezen? Er zijn huizen voor de jonge koper. Er is margarine met verlaagd cholesterol, er is gezondheid voor wie wil, ja alles is er, dus waar wacht je op?

Choose your future. Choose life.

Waarmee we aan de kern en aan de titel zijn. Choose life - gebiedende wijs. Het is een nummer van PF Project, dat er vorig jaar een internationale hit mee had, maar als u de cultuur volgt, kent u de monoloog ook uit een andere bron. Die ratelende stem, dat is de stem van Ewan McGregor in de speelfilm Trainspotting, die eerder ook een hit was, en de woorden die hij afvuurt stammen uit de gelijknamige roman van Irvine Welsh, die weer iets eerder eveneens een hit was. Drie successen rond die ene tekst, en de conclusie moet dus haast wel zijn dat die in onze wereld een gevoelige snaar raakt. Die waanzinnige keuze, die herkennen wij.

Met onze ongekende overvloed bewonen wij een wereld die de indruk wekt het vraagstuk van de schaarste nagenoeg te hebben opgelost. Tenminste, voor het westen. Tenminste, voor de geschoolde klasse. Natuurlijk, er zijn files te veel en bedden voor de ziekenzorg te weinig, maar niet in die mate dat we uitzien naar een glanzend nieuw maatschappelijk bestel. We zouden niet eens weten hoe zoiets er uit zou moeten zien. Er is geen alternatief meer, alles wat de twintigste eeuw in die richting uitgetest heeft is weer opgedoekt en weggehoond. We leven aan het eind van de geschiedenis, naar het fameuze woord van Francis Fukuyama, en daar willen we graag blijven.

Gek genoeg is daar niet eens meer een geloof of ideologie voor nodig, enkel nog vertrouwen in de maatschappij, die ons de hele dag omringt met stemmen die vertellen wat er allemaal te kiezen is. Kies exact. Kies Kok. 'Kies Pepsi, the choice of a new generation'. Aan alles wordt gedacht, in die gebiedende wijzen. Alles wordt gedaan om ons de dagen door te helpen met een minimum aan pijn, geweld en armoede, en het voornaamste wat wij daarvoor hoeven terug te doen is ons te laten sturen. Onze samenleving is een mechanisme van de meest fijnmazige perfectie, haarfijn afgesteld, en voor dat doel zijn wij niet bang ons af te laten stellen.

Daarmee krijgt die samenleving een vaak verbazende gelijkenis met de ontwerpen voor een wereld van consensus en comfort zoals die eeuwenlang getekend zijn. Begin deze eeuw schreef H.G. Wells romans over een toekomst waarin mensen volksverzekeringen zouden krijgen, onderwijs voor iedereen en wereldwijd transport. In de vorige eeuw schiep Edward Bellamy het visioen van een consumptieparadijs, vol vrije tijd en amusement, en in de zeventiende eeuw zag Francis Bacon heel de medische technologie al voor zich, van herstel van de jeugd en vertraging van de ouderdom tot euthanasie. TV, IVF, LSD en GSM-etjes: het stond ooit allemaal al op papier.

Dat heeft iets verbijsterends. Want die toekomstdromen staan te boek als utopieën, naar het grote zestiende-eeuwse voorbeeld voor het genre, Thomas More's Utopia, en dat begrip houdt een ironisch midden tussen eu-topos, 'Goede Plaats', en ou-topos, 'Geen Plaats'. Oftewel, nergens. Utopieën laten een wereld zien die goed is maar niet bestaat, zelfs niet kan bestaan. Maar hoe bestaat het dan dat je er overal de tekenen van lijkt te zien? Is het denkbaar, hoe absurd het ook mag klinken, dat er ooit iets zou ontstaan als een 'gerealiseerde utopie' - en dat we daar aardig in de buurt zijn?

De vraag stellen is een tegenwerping wakker roepen. Want om nu te zeggen dat wij met zijn allen zo gelukkig zijn, in onze wereld? Choose life, jawel, maar als die bijterige stem nog even verder ratelt hoor je waarom die niet zonniger wil klinken.

Choose sitting on a couch watching mind-numbing and spirit-crushing game shows, stuffing junkfood into your mouth. Choose rotting away, pissing and shitting yourself in a home, nothing more than an embarrassment to the selfish, fucked-up brats that you've produced to please yourself.

En zo verder. Het gemak van al die keuzen leidt niet tot geluk maar tot - ja, wat? Er is niet veel meer te verlangen, te verliezen of te winnen, alles krijgt eenzelfde grijstoon van wezenloosheid. Veel komt langs, maar weinig wordt ervaren.

Maar als ook die kant van de diagnose hout snijdt, is dat misschien juist een bewijs dat we de utopie nabij zijn. 'De utopische paradox', heet dat in De utopische verleiding van rechtspsycholoog Hans Crombag en rechtsfilosoof Frank van Dun. Zij onderzoeken hoe het utopisch denken omgaat met ziekte, misdaad, sekse, vrijheid, politiek, economie en recht, en stuiten steeds op dezelfde uitkomst. 'Wie één Utopia kent, kent ze allemaal, of bijna allemaal.' Waar het utopische geluk gewonnen wordt, gaat het besef van dat geluk verloren. Want hoe voel je geluk als er geen ongeluk meer op de loer ligt?

Daarmee slaat het droombeeld van de utopie om in een dystopie, een schrikbeeld, en die omslag laat zich aflezen aan de dystopische romans van deze eeuw. Van Orwells 1984 tot Huxleys Brave new world kijk je een wereld binnen waaraan elk gevoel is onttrokken. De bewoners schuiven er als slaapwandelaars door de tijd, ontdaan van alles wat een mens tot mens kan maken. Ze bestaan in zekere zin niet meer, ze zijn uitwisselbaar, en dat maakt de utopische paradox compleet. Een utopie die werkelijk tot stand komt, zal het zonder de bewoners moeten doen voor wie ze werd bedoeld.

Het utopische gedachtengoed berust dus op een misverstand, zo stellen Crombach en Van Dun. Het weigert te erkennen dat de menselijke staat problemen stelt die onoplosbaar zijn, om te beginnen al omdat ze subjectief zijn, onberedeneerbaar, voortgekomen uit persoonlijke achtergronden. Het ziet elk probleem als vraagstuk, objectief te formuleren en met technische en wetenschappelijke kennis op te lossen. Het ziet ook die oplossing dus weer als objectief, voor iedereen van kracht, en dat verraadt de glansrol die de utopist zichzelf toedenkt. Hij staat voor het algemeen belang. Hij ziet de maatschappij als kneedbaar en zichzelf als aangewezen man om te kneden.

Dat klinkt niet echt als een portret van onze samenleving, geven Crombag en Van Dun toe. Het doet meer denken aan de wereld van het communisme, die tot nog toe meest concrete greep naar de gerealiseerde utopie, met zijn onstuitbaar maakbaarheidsgeloof. Maar pas op, want ook bij ons loert het gevaar, zij het veel sluipender. 'Het lijkt erop dat vele ooit zonder meer als utopisch bestempelde ideeën zozeer gemeengoed zijn geworden dat hun utopische karakter niet meer opvalt', stelt het duo in de inleiding, en daarmee krijgt hun boek de inzet van een waarschuwing.

Maar raar genoeg komt juist die missie niet erg van de grond. Als voorbeeld van het utopisme in ons dagelijkse leven noemt het tweetal de gezondheidszorg, die de grenzen van het leven steeds meer oprekt. Met als resultaat dat steeds meer zieken steeds meer bedden vullen en de kosten stijgen en de dreiging groeit dat mensen die niet goed op hun gezondheid letten, zoals rokers, lager op een wachtlijst worden ingedeeld op grond van hun verminderde genezingskans. En inderdaad - dat is een schoolvoorbeeld van een probleem dat als een vraagstuk wordt behandeld en zodoende aan het doel voorbijschiet. Maar het is het enige voorbeeld dat wordt uitgewerkt en in zijn eentje roept het meer vragen op dan antwoorden. Want wie is hier ten prooi aan utopisme? Worden wij door utopisten onderdrukt of zijn wij soms zelf die utopisten? Hoe grijpt die utopische verleiding in ons leven in?

Voor dat soort vragen ben je meer geholpen met De erfenis van de utopie, een studie van filosoof Hans Achterhuis die als een sluitsteen past op alles waar hij al zo'n twintig jaar mee bezig is. Van De markt van welzijn en geluk uit 1975 en Arbeid een eigenaardig medicijn uit 1984 tot Het rijk van de schaarste uit 1988, steeds weer gaat het in zijn boeken over de verbetering van de wereld en waarom die zich maar niet laat organiseren. Misschien geeft die hardnekkigheid meteen aan wat het verschil met Crombach en Van Dun is. Achterhuis is de behoefte om te waarschuwen voorbij, hij wil begrijpen.

Pikant detail daarbij is, hij vermeldt het zelf, dat hij niet altijd ongevoelig is geweest voor de utopische verleiding. In de vroege jaren zeventig heeft hij het zwaar te pakken gehad van de 'reëel bestaande utopie' van Mao's China, als zovelen van zijn generatie. Die utopische erfenis, dat is dus ook de zijne, en dat geeft de filosofische abstractie van zijn boek een concrete spanning mee. Dit is persoonlijk onderzoek.

Zo is goed te volgen hoe hij Crombag & Van Duns aversie tegen het utopische gedachtengoed inmiddels deelt maar, wijs geworden door ervaring, toch niet zomaar naar de vijand overloopt. Hij is kritisch over utopisten, maar niet minder over dystopisten. Hij gaat in op Orwell en Huxley en hun geestverwanten uit wijsgerige hoek, van Heidegger tot Foucault, en neemt hen serieus als ze de wereld zien veranderen in het 'systeem' van een gerealiseerde utopie, een 'planetaire megamachine' die de mens onmondig en passief maakt. Maar, vraagt hij zich af, hoe weten die geleerden dat zo zeker?

Dat is een venijnig vraagje, want het legt iets verontrustends bloot in dit soort doemgedachten. Wie kritiek heeft op zijn wereld, niet alleen op onderdelen maar op het geheel, die heeft klaarblijkelijk een beeld voor ogen van een andere, betere wereld. Hij wil maatschappijhervormingen, werpt zich dus op als spreekbuis van het algemeen belang, en verraadt daarmee zijn inspiratie. Langs een omweg is de anti-utopist zelf utopist.

Van die cirkelgang laat Achterhuis een paar mooie voorbeelden zien, vooral uit die utopische tijd die ook hem zelf een klap van de molen gaf. De jaren zeventig stonden bol van de protesten tegen dat maatschappelijk 'systeem' dat alles wat uniek was scheen te smoren in geestdodend consumentisme. Maar het was ook een tijdperk van onwankelbaar geloof in vooruitgang van de maatschappij, maakbaarheid van het geluk, en zo kon het gebeuren dat men zich uit afschuw van een schijnbaar bijna verwezenlijkte utopie in alternatieve bewegingen stortte, die tot op het bot utopisch waren.

Aldus ontstond de duizelingwekkende figuur van de utopie tegen de utopie, de utopie van een bestaan dat zich aan die onwezenlijk volmaakte maatschappij onttrekt en mensen terugvoert naar hun ware zelf. Het authentieke individu, dat was de droom, en als je even uit Achterhuis' boek opkijkt is het zonneklaar dat die in een minder demonstratieve vorm nog springlevend is. Of het nu gaat om een bestaan in new age of in dansmuziek, in seks of drugs of kunst of in survivaltochten - het gaat altijd om het zoeken naar ervaringen die echt zijn. Om de ontdekking van het eigene, los van het dagelijkse, al te dagelijkse leven.

Choose life, zoals die hamerende stem herhaalt, om daar ineens een alternatief aan toe te voegen.

I chose not to choose life. I chose something else.

Hij koos, concreet, een leven dat volkomen wordt beheerst door heroïne. Niet omdat hij hopeloos aan lager wal is maar opzettelijk, als zelfontplooiïng, en je moet hem nageven dat hij daar een intens bestaan aan heeft. Maar je hoeft niet lang na te denken om je voor te kunnen stellen waarom dat geen oplossing is. Al vind je in zo'n 'authentiek' bestaan wellicht jezelf, wat dat ook moge zijn, je raakt de wereld erbij kwijt. Wat je aan de ene kant wint, verlies je aan de andere. Je kiest het tegenovergestelde perspectief op de wereld, maar het beeld blijft even onleefbaar.

Zo kun je aan de hand van Achterhuis zien hoe alomtegenwoordig het utopisch denkpatroon in onze wereld is. Het droombeeld roept een angstbeeld wakker en dat angstbeeld weer een droombeeld. Alles even weinig vruchtbaar, maar het gaat maar door, en op dat punt zal Achterhuis het met de waarschuwing van Crombag en Van Dun wel eens zijn. De utopie is een gevaar en dat gevaar is onder ons.

Maar dat betekent niet meteen dat die beelden ook een betrouwbare afspiegeling van onze alledaagse werkelijkheid zijn. Ze spiegelen elkaar, maar spiegelen ze ook het leven zoals het zich aan ons voordoet? Staan maatschappij en individu in onze wereld werkelijk tegenover elkaar als onderdrukker en onderdrukte? In de wereld van de 'reëel bestaande utopie' van het communisme, ja, daar gold dat ongetwijfeld. Maar bij ons?

Achterhuis maakt duidelijk dat het te simpel is te denken dat je alle utopieën kent als je er één kent. Hij ziet twee categorieën. De sociale utopie, in onze eeuw te vinden in autoritaire regimes als de communistische, zoekt de maakbaarheid van het geluk in de eerste plaats in economie en politiek, in het beheersen van het menselijk gedrag. De technische utopie, die minder aan een staatstructuur gebonden is en ook bij ons zichtbaar wordt, zoekt de maakbaarheid meer in technologie, in beheersing van de menselijke omgeving. In het uiterste geval mag dat tot een tekort aan prikkels leiden, maar het ontziet de menselijke vrijheid. Vandaar dat wij het zonder censuur en dictatuur afkunnen.

Daarmee is meteen die vijandige tegenstelling tussen individu en samenleving van de baan. Cultuurpessimisten beweren graag dat de technologie bij ons de rol van onderdrukker overgenomen heeft en dat we, ongemerkt haast, leven onder een dictaat van pincodes en gekoppelde systeembestanden. Big brother, die ons in de gaten houdt. Maar voor zover die broer dat doet, meent Achterhuis, doet hij dat namens ons. Van camerabewaking in uw winkelcentrum tot een draaihek bij de metro - op talloze manieren maken we de wereld van de apparaten juist tot vertegenwoordiger van onze moraal.

Waar dat samenspel van mens en ding nog niet zo zeker is, komt bovendien vaak een innemend trekje van de technologie aan het licht. Ze pakt niet uit zoals bedoeld. Wie ooit gemeend mocht hebben met computernetwerken totale macht over de informatievoorziening in de wereld te verwerven, heeft ondervonden dat het anders uitpakt. Hackers dringen binnen in geheime bestanden. Internet wordt een gedemocratiseerde braderie van de meest onwaarschijnlijke (non)-informatie. Als die technologie al onderdrukkend was, dan zijn de onderdrukten er vitaal mee aan de haal gegaan.

Wat Achterhuis, na niet altijd heldere omzwervingen in het wijsgerige rijk van de technologiekritiek, tot een wat dubbelzinnige conclusie brengt. De technologische utopie, punt één, is inderdaad voor een belangrijk deel gerealiseerd. Maar, punt twee, 'ze pakt voortdurend anders uit dan wij hoopten of vreesden'. Ze staat open voor de grillen van de alledaagse werkelijkheid en onttrekt zich daardoor aan het verstikkende model van utopie en dystopie. Ze geeft ruimte aan het individu.

Als dat klopt (maar hoe stel je dat vast bij dit soort grandioze generalisaties, die bij een minieme draai in terminologie een heel universum van kleur laten verschieten), dan mag onze samenleving inderdaad een prijs in ontvangst gaan nemen voor de beste van alle werelden. Maar er ligt klaarblijkelijk toch ergens nog een probleem, want waarom doen we dat dan niet? Als onze wereld de ruimte geeft aan individuele ervaringen, waarom zoeken wij die dan toch vaak nadrukkelijk daarbuiten, in zo'n utopie-tegen-de-utopie?

Daar zou veel op te bedenken zijn, om te beginnen domweg Weltschmerz, maar Achterhuis zoekt het in de specifieke aard van onze utopie. Het probleem van de technologie is dat die moeilijk in te passen blijkt in de gebruikelijke orde waarin wij het leven zin geven, die van de taal, van de cultuur. De technologie heeft immers haar eigen taal, de wiskunde, en hoe zij met de jaren ook verweven is geraakt met ons sociale leven, we kunnen er nog altijd niet mee uit de weg. We drukken op de knoppen, maar we krijgen er geen band mee. Achterhuis bepleit daarom tot slot van zijn betoog een 'moralisering van apparaten', om die wereld onderdeel van de cultuur te maken en dus leefbaar te maken. Die zelfgeschapen omgeving ervaren, dat is wat we moeten leren. Maar op dat punt, aan het slot van vierhonderd bladzijden, raakt zijn betoog in dichte mist. Want hoe dat moet? Hij zegt het niet. Hij komt met een appèl aan de literatuur, die vaak op de filosofie vooruitloopt, maar dat heeft veel van een noodsprong. Want wat die zou moeten doen? Hij zegt het niet.

En toch is dat appèl misschien, meer dan hij zelf vermoedt, de spijker op de kop. De utopie ontsprong aan de literatuur, de dystopie een paar eeuwen later ook. De utopie-tegen-de utopie is terug te vinden in de literatuur van de jaren zeventig, en inderdaad - sindsdien beweegt de literatuur zich onontkoombaar naar precies dat punt waar Achterhuis, net één stap langzamer, nu uitkomt. Lees het werk van A.F.Th. van der Heijden, Marcel Möring, Dirk van Weelden, Willem Melchior, Ronald Giphart, Peter Verhelst, Martin Bril en Manon Uphoff, om in eigen land te blijven, en je stuit op een vast patroon. Hun personages staan in een wereld die alles biedt voor een tevreden leven, behalve een gevoel van leven. Ze proberen dat te vinden door zich bloot te stellen aan gevaar of lust of pijn, aan alles wat een ervaring geeft. Ze dansen, seksen, snuiven, putten zichzelf uit en mutileren zichzelf (of anderen), geheel naar het model van de utopie-tegen-de-utopie. Maar intensief als die ervaringen ook mogen zijn, ze zijn zo individueel dat ze de banden met de wereld alleen maar verder doorsnijden. Na de roes volgt steevast een ontgoocheling, een opsluiting in de isoleercel van het eigen ik, en daarmee rijst een vraag die niet hardop gesteld wordt, maar die als een gier boven de scènes cirkelt. Hoe zijn de contacten met de wereld te herstellen? Hoe vind je daar weer leven in?

Choose life. Het zal toch moeten, op de een of andere manier. Wanneer de man achter die stem aan het eind van zijn verhaal komt, breekt hij met zijn leven in de heroïne. Hij keert niet terug naar het egale leven van de maatschappij, hij pakt zijn biezen en verdwijnt, een open wereld in. Op goed geluk, want hij weet niet wat hij begint. Hij niet - en wij niet.