Heden taart

Op een ochtend maakte de beer een bord waarop hij schreef:

HEDEN TAART

Hij wreef zich in zijn handen, zette het bord op zijn rug en liep het bos in.

Al snel kwam hij bij het huis van de kever. Hij zette het bord voor de deur en klopte.

'Ja?', riep de kever.

'Ik ben het, de beer', zei de beer. 'Wat is het voor taart?' Hij stapte het huis van de kever in.

'Taart?', zei de kever verbaasd.

'Ja', zei de beer. 'Je hebt toch heden taart?'

'Ik?', zei de kever. 'Ik heb helemaal geen taart.'

'En dat bord dan?', zei de beer.

De kever ging naar buiten en zag het bord.

'Wat eigenaardig', zei hij.

'Het staat er echt', zei de beer.

'Ja', zei de kever. Hij vroeg zich af waarom hij zich dat bord niet herinnerde. Misschien ben ik wel jarig!, dacht hij. Hij krabde zich achter zijn oor. Ik weet ook nooit iets, dacht hij somber.

Ze gingen naar binnen en de kever begon een taart te bakken.

'Je moet wel even geduld hebben', zei hij.

'Dat is goed', zei de beer.

'Wat voor taart moet het eigenlijk zijn?', riep de kever even later.

'Honingtaart', zei de beer. 'Als er niets bij staat is het altijd honingtaart.'

'O', zei de kever.

Even later at de beer een grote honingtaart. De kever keek toe. Toen de taart op was, groette de beer de kever, stapte naar buiten, trok het bord uit de grond en liep naar het nijlpaard, die naast de wilg woonde.

De beer at die dag de ene taart na de andere.

Tegen de avond, toen de schemering al viel en de nachtegaal in de verte zong, kwam de beer moeizaam sloffend bij het huis van de uil. Maar toen hij de uil aanwees wat er op het bord stond wees de uil naar een ander bord dat half verscholen tussen het struikgewas stond:

HEDEN STILTE

'Dat had ik niet gezien', zei de beer.

'St', zei de uil.

De beer knikte en zonder een geluid te maken gingen ze naar binnen.

De uil maakte een taart. De beer schreef op een briefje dat, als er niets bij stond, taart altijd honingtaart was.

Even later zette de uil een honingtaart voor de beer neer. De beer wilde een hap nemen en likte zijn lippen af. Maar de uil stootte hem, met de punt van een vleugel aan.

De beer keek hem aan. De uil legde zijn andere vleugel op zijn snavel en zei onhoorbaar: 'St.'

O ja, dacht de beer. Hij stopte heel voorzichtig een stukje taart in zijn mond. Maar toen hij zijn kaken op elkaar deed knarsten zijn tanden en stootte de uil hem weer aan.

Ja, ja, dacht de beer. Hij probeerde het opnieuw. Hij legde één kruimel op zijn tong en probeerde hem onhoorbaar door te slikken. Maar het lukte niet.

Geruisloos eten is onmogelijk, dacht hij. Hij schreef op een briefje: 'Kun je geen uitzondering maken voor mij?'

De uil las het briefje en schudde zijn hoofd.

Tot diep in de nacht zat de beer voor de honingtaart, met de uil tegenover hem. Maar hij at niets. Er komt nog bij, dacht hij somber, dat dit de lekkerste taart is die ik ooit heb gezien. Hij begon te snikken. De uil stootte hem aan en liet hem een briefje lezen, waarop stond:

NIET SNIKKEN. Maar de beer kon zijn tranen niet tegenhouden. Geruisloos stroomden ze langs zijn wangen.

Tegen de ochtend ging hij naar huis. Het bord met HEDEN TAART liet hij achter. Heden verdriet, dacht hij bitter, toen hij erlangs liep.

Toen de zon opkwam stapte hij zijn bed in en verborg zich onder zijn dekens. En nu slapen!, dacht hij, terwijl hij zich oprolde, en hij viel in een diepe slaap.

    • Toon Tellegen