Football hollandais

Als een getergde leeuw in zijn kooi, zo loopt François Menard heen en weer tussen mijn tafeltje en de toog in zijn bistro. Halverwege draait hij zich om, maakt een dramatisch gebaar en zegt verontwaardigd: “Dat was toch niet nodig? Onbegrijpelijk, onbegrijpelijk!”

Het gaat, zoals meestal hier, over voetbal, de sport die hier officieel football heet (de a uitgesproken als lange oo). Maar in het dagelijks gebruik luidt het kortweg foot. Het is naast rugby een van de belangrijkste onderwerpen van gesprek in mijn dorp. En wie football zegt, zegt al gauw Pays-Bas.

De uitval van Menard betreft een overtreding van Kluivert, alweer enige tijd geleden begaan, maar hier diep ingeslagen in een gezelschap van geboren gokkers die de goede afloop van een weddenschap verloren zagen gaan, omdat Kluivert ('Cluwèr') tegen rood aanliep. De ogen van Menard staan nog bol van verontwaardiging - zo'n blunder verstoort de wedstrijd en de stemming onder zijn stamgasten.

Ze zitten er weer allemaal. Die met de woeste baard en het schipperspetje, de kale en die kleine die altijd fanatiek in de paardenloterij speelt. En ze knikken dat hij groot gelijk heeft.

Wie tijdens wereldkampioenschappen de bistro van Menard binnenstapt, kon alle voorbeschouwingen, preambules en warming-up in de media overslaan. Want François Menard kent ze allemaal, de opstellingen, de spelers en de trainers. Van vroeger en nu. En hij voorspelt de uitslagen, want hij weet er alles van. Wie dan ook nog meedoet met de weddenschappen, hoeft geen krasloten meer te kopen of een lot in de paardenraces, tiercé, quarté en quinté van de nationale PMU. Menards voorspellingen zijn onfeilbaar. Mits iedereen het spel correct speelt. Dus geen blunders of overtredingen. Voorzover door Nederlanders gemaakt, worden ze aan mij voorgelegd.

“Ah, vroeger”, roept François. “Nee, ik heb het niet meer over Krwief, dat is verleden tijd.”

“Ja”, antwoord ik, “Johan Cruijff doet al heel lang niet meer mee. Die zit nu zelf ook bij de buis.”

“Je had die twee broers”, vervolgt Menard, de kring rondkijkend, “twee van die reuzen op het middenveld. Kom, hoe heten ze ook weer?”

“Willy en René van de Kerkhof”, probeer ik.

De kastelein spreidt zijn armen: “Voilà, Querquouf!” roept hij triomfantelijk. ”Sacrés gaillards! Altijd samen in de weer op het middenveld. Daar kwam niemand doorheen”, doceert hij.

“Maar, jullie Fransen”, probeer ik. (“Vous autres”) Jullie hebben nu toch ook een wereldteam. Met mannen als Djorkaeff en Zinédine Zidane! Grote klasse.”

Maar ze kijken mismoedig naar de grond. Allemaal hebben we enkele dagen geleden op de buis gezien hoe president Chirac een bezoek had gebracht aan het nationale elftal ('les bleus') en in het trainingscentrum in Clairfontaine zelfs de avondmaaltijd met hen had genuttigd om het land moed in te spreken. Maar de stamgasten in onze bistro heeft hij kennelijk niet bereikt. Zij staren mismoedig naar de vloer. Die met de wilde baard en de schipperspet, de kale, en zelfs die fanatieke kleine vergeet zijn Quinté Plus.

“En hoe is de stemming nu in uw land?” wil François weten, want ik heb verteld dat ik net teruggekomen ben van een kort bezoek daar.

Nu weet ik wat me te doen staat. Want hun zogenaamde mismoedigheid is natuurlijk niets anders dan de verborgen keerzijde van hun laaiend chauvinisme. Natuurlijk verwachten zij niet anders dan dat 'les bleus' de wereld straks een lesje zullen leren in foot. Tenzij le foot Hollandais daar een stokje voor steekt.

“Mijn landgenoten”, hoor ik mezelf zeggen, “gedragen zich met de waardigheid van de toekomstige wereldkampioenen. Nergens hoor of zie je iets van oranje of rood-wit-blauw. Men zwijgt en wacht af, met de zekerheid van de goede afloop. De media zwijgen, de supporters zijn stil en zelfs de commercie zwijgt. Nergens zie of hoor je wat over de WK. Men wil de goden niet verzoeken. Het nationale elftal, 'les oranges', heeft zich teruggetrokken in het trainingscentrum. Ze trainen de hele dag en 's avonds spelen ze Halma en voeren lange gesprekken om de onderlinge band te versterken. Er klinkt geen onvertogen woord. Men looft en prijst de keuzeheer. Die heet Guus Hiddink, 'Gustave', net als de schrijver Flaubert. Ook Gustave zwijgt. Niet voor niets heet onze nationale held Willem de Zwijger ('Guillaume le Taciturne'). Zo is de toestand bij ons.”

Ik zwijg nu zelf ook en kijk om me heen. Ze kijken nog steeds naar de grond, stil en mismoedig. De baard heeft zelfs zijn schipperspet afgezet. François wenkt me apart. “Luister”, zegt hij gedempt. “Ik zeg niet dat Nederland de wereldkampioen wordt. Maar jullie kunnen het ver brengen, heel ver. Net als Duitsland en Brazilië.”

Hij maakt een samenzweerderig gebaar, buigt zich naar me toe en fluistert: “Denk ook aan Afrika. Nigeria, let op Nigeria.” Hij richt zich op. “Maar dan mag Kluivert niet tegen rood oplopen!”