Droomland onder de as

Rodney Castleden: Atlantis Destroyed. Routledge, 225 blz. ƒ 97,-

Ooit waren de mensen mooi en gelukkig. Ze leefden in witte paleizen en wandelden met de goden. Alles wat er te denken was, hadden ze gedacht, alles wat er te maken was, hadden ze gemaakt. De tijd leek in hun wereld tot stilstand gekomen. En zo zouden ze nog lang en gelukzalig hebben geleefd als het Lot niet had besloten om deze volmaakte beschaving in een baaierd van water en vuur te gronde te richten.

Eeuwen verstreken en de nazaten van de overlevenden vergaten de wereld van hun verre voorouders. Toch doken uit de mist der tijden af en toe enkele snippers kennis op die sommigen deed beseffen dat het mensdom ooit tot hoge dingen was geroepen. Zo iemand was de Amerikaan Ignatius Donelly die aan het eind van de vorige eeuw, na bestudering van Plato en andere klassieke auteurs, tot het inzicht kwam dat dit wonderrijk, dat volgens de Ouden 'Atlantis' heette, ergens in de oceaan had gelegen die al die naam droeg. Het boek dat hij in 1882 erover publiceerde, sloeg aan. De tijden waren onzeker, wat oud en vertrouwd was verdween in een snel tempo, de grove wereld van de massamens voerde het hoogste woord. Dromen waren welkom. De hoogtijdagen van Eduard Schuré en Madame Blavatsky braken aan en die van Rudolf Steiner, die niet alleen in Atlantiërs geloofde, maar ze ook zag vliegen.

De wetenschap, verstoorster van vele dromen, kon in de oceanen geen spoor van bewijs vinden van al die verzonken steden en beschavingen, want er doken er veel meer op dan alleen Atlantis. Sindsdien haalt de geleerde wereld haar schouders op over verdronken werelden. Niet geheel terecht want er bestaat wel degelijk zoiets als een Atlantis-probleem. Hoe kwam Plato eigenlijk aan zijn verhaal over dat verdwenen rijk en wat beoogde hij ermee? De Engelsman Rodney Castleden, die eerder publiceerde over Knossos en Stonehenge, heeft zich met zijn Atlantis Destroyed tot doel gesteld op die vraag een antwoord te vinden.

In de zesde eeuw voor onze jaartelling bezocht de Atheense intellectueel Solon Egypte. Weetgierig als hij was bezocht hij in Saïs, een provinciestad in de Nijldelta, het aan de tempel verbonden archief. Daar werd hem door de archivarissen verteld over een rijk dat ooit ten westen van Egypte had gelegen. Het was door de zee verzwolgen. Solon zou het later in het verslag van zijn reis 'Atlantis' noemen. Zijn verre achterneef Plato zou het verhaal, dat in de familie bewaard gebleven was, tweehonderd jaar later als jongen in zich opzuigen en op gevorderde leeftijd opnemen in zijn dialogen.

Wat is er waar aan dit verhaal? Alles, vonden de gelovigen. Weinig tot niets, dacht de geleerde wereld. Indien er werkelijk een historisch Atlantis had bestaan, zou het zich ergens in het Middellandse Zee-gebied hebben bevonden, daarover werd men het in onze tijd wel eens, maar aangezien verdere concrete aanwijzingen ontbraken en het rijk ook nog door de zee was verzwolgen, wist niemand waar te zoeken.

De archeologie schoot te hulp. Op de eilanden van de Aegeïsche zee groef men steeds meer steden en stadjes op die hechter banden met de Minoïsche beschaving op Kreta leken te hebben dan met de wereld van het Griekse vasteland. Een sleutelvondst werd gedaan op het eiland Santorini, dat in de oudheid Thera werd genoemd en nu uit het water steekt rond een in elkaar gestorte vulkaan, die in de prehistorie regelmatig actief was. Onder een laag vulkanische as vond men een stad die naar geest en vorm sterk op de steden leek die op Kreta waren gevonden. De huizen waren goed gebouwd en versierd met elegante fresco's. Omdat Santorini ook in de prehistorie een klein eiland was geweest, lag het voor de hand dat men hier te maken had met een commercieel centrum, dat afhankelijk van de Kretenzische zeemacht was geweest.

Daarmee had men nog geen verzonken rijk gevonden. Castleden veronderstelt nu dat het Atlantis van Plato geen verzinsel was. Het bestond uit Kreta, als middelpunt en machtscentrum, en de eilanden en het vasteland in de naaste omgeving. Atlantis was dus geen continent, maar een handelsimperium, misschien te vergelijken met dat van Venetië in de latere Middeleeuwen.

Rond 1520 ging de vulkaan op Thera weer werken. Om te begrijpen wat er precies is gebeurd, roept Castleden de kennis van hedendaagse vulcanologie te hulp. Er moet een verwoestende serie uitbarstingen hebben plaatsgevonden, vergelijkbaar met die van de Krakatau in 1883. Uit berekeningen blijkt dat een kolom van rook en as tot vijfendertig kilometer hoogte boven de krater is opgestegen en door een noordwestelijk wind in de richting van Oost-Kreta en het vasteland is gedreven. Stof en as onttrokken de zon aan het oog en veroorzaakten verwoestende asregens, waarvan in onze tijd in Palestina nog sporen werden teruggevonden. De vulkaan stortte na enige tijd met zoveel geweld ineen dat er volgens hedendaagse berekeningen een tientallen meters hoge vloedgolf ontstond - tegenwoordig tsunami geheten - die enorme ravage heeft aangericht op de kusten van Kreta, op die van de overige eilanden, in Klein-Azië en nog verder weg.

Het is de hedendaagse kennis van vulkanische verschijnselen die doet begrijpen waarom deze ramp zo'n diepe indruk op de oude wereld heeft gemaakt. Het oosten van Kreta lag onder een laagje as, de havens waren vernield, het eens zo welvarende Thera bestond niet meer. Toen men er na jaren weer voet aan wal zette bleek het hart van het eiland in het water verzonken. Het leek de stad te hebben meegenomen. In werkelijkheid was die niet in zee verdwenen, maar begraven onder een metersdikke laag vulkanische as.

Castleden vervolgt zijn betoog met een hoogst nuttige uitleg waarom Plato op zijn oude dag op dit verhaal, dat hij als kind heeft gehoord, terugkomt. Zoals in de negentiende eeuw beelden en verhalen uit de oudheid werden gebruikt en aangepast om kritiek op de eigen tijd te leveren, zo gebruikte Plato zijn oudheid om zijn tijd te bekritiseren, waarbij hij de werkelijkheid ook hier en daar naar zijn hand zette.

De dromers van onze tijd hebben deze moralistische kant van het verhaal goed begrepen. Hun Atlantis steekt bijna altijd gunstig af bij onze wereld. Dit utopia is nog steeds springlevend. Een uurtje rondkijken op het Internet levert duizenden adressen op: van een Braziliaanse professor die Atlantis in de Indische Oceaan heeft gevonden, van een Australiër die door buitenaardse nazaten van de Atlantiërs naar hun planeet is ontvoerd, van een New-ageling die in een afgelegen klooster in Tibet niet alleen oude geschriften over de Atlantiërs heeft gevonden, maar zelfs hun afstammelingen.

Castledens ontnuchterende stellingen zullen wel niet aan de dwepers besteed zijn. Natuurlijk blijven er nog vragen onbeantwoord, maar door de bank genomen ziet zijn betoog er gezond uit.