Domweg gelukkig op de rechtervleugel; De discretie van Ruud Gullit

Ruud Gullit: My Autobiography, Century, 224 blz. ƒ 49,- Harry van Wijnen

Na drie seizoenen achtereen door zijn kunsten op de voetbalvelden in verrukking te zijn gebracht, houdt het Britse publiek niet op gefascineerd te zijn door de performance die Ruud Gullit tegenwoordig op de televisie ten beste geeft. Sinds hij van de Londense voetbalclub Chelsea onverhoeds zijn ongemotiveerde congé kreeg, mag hij als speler en voetbalcoach voorlopig hebben afgedaan, als voetbalcommentator is hij daar nog altijd zijn gewicht in goud waard. In die laatste hoedanigheid raken zelfs de professionele vakgenoten niet uitgepraat over zijn televisie-persoonlijkheid.

Gullit lijkt niet alleen zijn stempel op het Engelse voetbal te hebben gezet, maar ook het concept van de sportuitzendingen op de Britse televisie te hebben veranderd. Zijn geheim is zijn woordgebruik. Gullit drukt zich ongedwongen en beeldend uit, maar ook begrijpelijk. Hij doet dat in een kleurrijk Engels dat de liefhebbers en de broodschrijvers gelijkelijk aanspreekt: in goed lopende, originele zinnen. Gullit onderscheidt zich positief van zijn Britse collega's doordat hij vaagheden vermijdt en concrete oordelen velt die steunen op intelligente waarnemingen.

In Match of the Day (BBC) was Gullit de afgelopen jaren regelmatig een baken van helderheid temidden van de onverstaanbare dialecten die daar doorgaans gesproken worden. Helaas zullen we zijn kritische geluid de komende weken niet kunnen horen, omdat hij zich voor de duur van de Wereldkampioenschappen aan ITN verbonden heeft en de BBC van zijn diensten geen gebruik kan maken. Opmerkelijk genoeg maakt de woordkunstenaar in zijn onlangs verschenen autobiografie (geschreven 'met de steun van' de Mirror-journalist Harry Harris) nauwelijks melding van zijn televisie-succes.

Hoe hoog de ster van Gullit in Groot-Brittannië ook gestegen is, uit zijn autobiografie komt Ruud Gullit tevoorschijn als een spontane jongen die niet door zijn succes bedorven is. Na al zijn gelauwerde omzwervingen over de gerenoveerde high tech-stadions van de wereld is hij nog altijd te porren voor een eenvoudig partijtje voetbal in het Vondelpark. Geen groter plezier dan met zijn vrienden een balletje te trappen en weer net als vroeger van een paar leren jacks een doel te maken. Of van een paar opstaande stenen, ook goed. Roem en rijkdom en internationale status hebben Gullit niet veranderd, zelfs niet zijn populariteit als de intelligentste voetbalcommentator van de Britse televisie. Altijd eenvoudig gebleven: onafscheidelijk trouw aan de jongens uit de Rozendwarsstraat en de Bilbaostraat en nog altijd even snel verrukt over de kleine genoegens van het leven als in zijn jongensjaren. Een aardige, ongecompliceerde jongen uit Amsterdam-West en de Jordaan. Of, zoals hij het zelf zegt: 'Ik ben niet anders dan ik overkom'. What they see is what they get.

Met zijn vriendje Frank Rijkaard voetbalde hij op zijn vijftiende jaar in het eerste van DWS. Met Rijkaard luisterde hij enkele jaren later als speler van het Nederlands Elftal voor een wedstrijd tegen Duitsland naar het Wilhelmus, in een mengeling van trots en ontroering. Daarbij speelde de gedachte hem door het hoofd hoe verbazingwekkend het was dat twee vriendjes uit Amsterdams-West het zover hadden geschopt.

Op de intrigerende vraag waarom hij nooit in Ajax heeft gespeeld en zich zelfs nooit tot de club uit de Meer aangetrokken heeft gevoeld, geeft Gullit in zijn boek slechts zijdelings antwoord, maar uit zijn bespiegelingen over zijn vroegste sympathieën begrijp ik dat de uitstraling van Ajax hem tegenstond. De vibraties die van het Ajax-shirt uitgingen, bevielen hem niet. Op jonge leeftijd was Ruud Gullit daar al gevoelig voor.

Door dat idioom van de geest zou hij zich nog vaak laten leiden. Op een kilometer afstand herkende hij onheilspellende vibraties en vibraties die hem welgezind waren. De jongens uit de Meer liepen over van verkeerde vibraties. Ze gedroegen zich alsof ze van God gezonden waren. Al op hun dertiende en veertiende liepen ze naast hun schoenen en dachten ze dat alles wat andere kleuren droeg van een lagere orde was. 'Een enkeling zou het later ver brengen, maar van de meesten hoorde je nooit meer wat.' De poeha stond Gullit zo grondig tegen, dat hij geen enkele aanvechting had de overstap te maken van zijn eerste club Meerboys, die in de schaduw van het Ajax-stadion speelde, naar het grote Ajax. Zelfs de wedstrijden van het eerste van Ajax met Cruijff, Swart en Keizer, trokken hem niet.

Die reserves waren nooit van invloed op zijn vriendschap met Frank Rijkaard, die met Ajax vele triomfen behaalde en ze stonden evenmin een sterke band met zijn inspirator Johan Cruijff in de weg. Maar ze bepaalden wel zijn voorkeur voor de underdogs van het voetbal. Voordat hij in Milaan terecht kwam en een internationale superster werd, verbond Gullit zich aan Haarlem, Feyenoord en PSV - allemaal underdogs, om niet te zeggen tweede keus. Zelfs AC Milan was in Italië tweede keus, vergeleken met het grote Juventus.

Uit die keus voor de onderknuppels van het voetbal sprak een voorkeur voor underachieving teams. Teams die meer in hun mars hadden dan ze zelf wisten en bij wie hij als speler en coach het beste naar boven wist te brengen, zoals Sampdoria en Chelsea. Aan al die Assepoesters van het voetbal betuigt hij in zijn boek zijn respect (Feyenoord deed al eerder het omgekeerde, door hem te benoemen tot lid voor het leven). Gullit barst regelmatig uit in dierbaarheidsbetoon aan voetballers en voetballeiders die zijn hart gestolen hebben en de manier waarop hij dat doet pleit zowel voor zijn karakter als voor zijn levensstijl. Gullit schrijft genereuze dingen over de trainers die hem gevormd hebben, evenals over oudere spelers van wie hij veel heeft opgestoken.

Zijn criterium is minder het succes dat hij onder hun leiding heeft behaald dan de levenslessen die ze hem hebben bijgebracht. Zo loopt hij weg met de Generaal (Rinus Michels), maar ook met lageren in rang als Barry Hughes, zijn trainer bij Haarlem. Van de laatste leerde hij voetballen, maar vooral relativeren. Hughes werd niet tot de trainers-top vijf gerekend, maar hij was wel een top-entertainer, met wie veel te lachen viel. 'Hij liet je zoveel lachen dat je hoofd er bijna afviel.' In Haarlem was nooit geld om spelers te kopen, dus vielen er nooit genoeg doelpunten om het schamele stadion vol te krijgen, maar Hughes compenseerde dat door een vrolijke sfeer te creëren, die Gullit zich herinnert als de gelukkigste jaren uit zijn leven.

Van alle boeken in dit genre die ik gelezen heb, is Gullits autobiografie een gunstige uitzondering op de regel van grootheidswaan en zelfverheffing. Gullit gaat zich niet aan narcisme te buiten, hij is gul met eerbewijzen aan degenen van wie hij tussen de lijnen en in het gewone leven geleerd heeft en hij behoudt ook bij het bespreken van eigen prestaties zijn gevoel voor proporties. Door zichzelf in een historisch kader te plaatsen wapent hij zich tegen zelfoverschatting en doet hij recht aan de grote broers van wie hij de kunst heeft afgekeken. Hij geeft voortdurend rekenschap van wat hij aan voorgaande generaties verschuldigd is. Cruijff en Van Hanegem, beiden van een oudere generatie dan de zijne, zijn tot de dag van vandaag zijn goeroes, in voetbal-technisch en menselijk opzicht. Beiden hebben hem door persoonlijke crises heengesleept, beiden hebben hem altijd met raad en daad geholpen en beiden hebben hem gehard in het verwerken van tegenslagen.

Gullit getuigt ook van zijn hoogachting voor de Belgische chirurg en knieënhersteller dr. Marc Maertens, die hem na elke nieuwe aanslag niet alleen telkens weer op de been helpt, maar keer op keer ook zijn vernielde zelfvertrouwen repareert. Datzelfde geldt voor de fysiotherapeut Ted Troost, in wie de nu 36-jarige Gullit sinds zijn 18de jaar een onbegrensd vertrouwen heeft, dat al die tijd heeft stand gehouden. Over deze Rotterdamse fysiotherapeut, die in de jaren vijftig zelf een getalenteerde keeper in de jeugd van Feyenoord was, hebben vaak Greet Hofmans-achtige karikaturen gecirculeerd, maar Gullit maakt aannemelijk dat elf voetballende individuen, die de ene keer te egoïstisch zijn, de andere keer niet meer in zichzelf geloven, uit zichzelf geen eenheid vormen en soms door een vreemde hand bij hun nekvel moeten worden gepakt om als strijdvaardig collectief de wei in te gaan.

Ik kan niet nagaan in hoeverre de ghostwriter die hier aan het werk is geweest al dan niet een matigende invloed op het proza van Gullit heeft gehad, maar het wordt nergens gehinderd door hocuspocus of andere buitenaardse tics. Hoewel Gullit de werkwijze van Troost niet beschrijft (waarschijnlijk omdat die zoiets als een Geheim van Soestdijk is) spreken de resultaten van diens werkwijze voor zichzelf. Troost maakt vastgelopen knieën los, praat depressies weg en hergeeft vermoeide spelers weer de trek om hun tegenstanders op te vreten. Het is geen wonder dat de technische staf van Milan en die van Chelsea allebei dankbaar gebruik hebben gemaakt van zijn kunsten. Het verhaal was nog sterker geworden als Gullit enig vergelijkend inzicht had verschaft over de wonderdokter die Gullits voorganger bij Chelsea, Glen Hoddle, sinds jaar en dag terzijde staat. Het is een oude dame, die in de sportwereld volkomen onbekend is, maar bij wier deskundigheid Hoddle zweert.

Ik geloof niet dat Gullits autobiografie nog veel nieuws bevat over het geruchtmakende incident tijdens de voorbereidingscampagne voor het WK in 1994, toen Gullit tot ieders verrassing voor het Nederlands Elftal bedankte om daarin nooit meer terug te keren. Maar het boek geeft wel een authentiek verslag van de gebeurtenissen. Een meningsverschil met de coach Dick Advocaat over de tactiek lag aan de basis van dat conflict, maar het ging niet louter om het concept van een twee- of driemansvoorhoede. Het conflict overviel destijds iedereen doordat Advocaat en Gullit zich uit loyaliteit tegenover elkaar in zwijgen hulden.

De klimatologische argumenten die Gullit voor een realistische tactiek aanvoerde werden destijds óf niet begrepen óf niet serieus genomen, maar ze bleken later valabel te zijn. Volgens Gullit, die wist hoeveel studie de Brazilianen vooraf van de Amerikaanse weersomstandigheden hadden gemaakt, onderschatte Advocaat de extreme weersomstandigheden in het Amerikaanse Orlando en eiste diens concept (met twee vleugelspitsen) teveel kracht in een vochtige hitte waaraan het Nederlands Elftal nog nooit eerder was blootgesteld. Toen Advocaat niettemin aan zijn strijdplan vasthield (om dat pas later te corrigeren) pakte Gullit zijn biezen.

Gullit is geen speler die in wrok omziet op de conflicten waarin hij betrokken is geweest. Hij is een discreet en loyaal terugblikker die op geen enkele bladzijde van zijn boek door rancune gehinderd wordt. Daarin toont hij volwassenheid en evenwichtigheid, maar ook noblesse. Hij zou reden genoeg gehad hebben om de eigenaar van Chelsea, die hem na het winnen van de FA Cup op staande voet en zonder opgaaf van redenen aan de dijk zette, in al zijn megalomane alleenheerschappij te kijk te zetten, maar Gullit laat zich daartoe niet verleiden. Integendeel, terwijl hij niets aan de man verplicht is, geeft hij hem nog het voordeel van de twijfel.

Aan hooligabbers is Gullits boek niet besteed, maar de ware liefhebber zal er veel van zijn gading in vinden. Gullit is zelf een ware liefhebber. Na achttien jaar zijn longen uit zijn lijf te hebben gelopen kan hij nog steeds genieten van de sport en daar met een aanstekelijke geestdrift over vertellen. Dat levert meer dan eens mooie poëzie op. Ik kan niet genoeg krijgen van de dichtregels waarin hij zijn liefde voor het gras beschrijft. 'Marco van Basten was in een fonkelende vorm' (in een interlandwedstrijd waarin zij samen speelden). En terwijl hij geniet van de onnavolgbare dingen die Van Basten met de bal doet, zingt hij het op zijn rechtervleugel uit van plezier. Geen bal in je buurt, en toch zingend je werk doen! Zal het publiek er ooit oog voor hebben dat zo'n jongen daar maar wat heen en weer loopt, zonder een bal aan zijn voeten te hebben en zich intens vermaakt omdat hij nu eenmaal rechtsbuiten is? 'I enjoyed myself tremendously on the wing'. Dat kan je alleen maar zeggen als je je, om met Bloem te spreken, domweg gelukkig voelt op je rechtsbuitenplaats.