Dertig jaar correspondentie uit Israel; Idealisme versus werkelijkheid

Salomon Bouman: Israël contra Zion. Jan Mets, 400 blz. ƒ 45,-

Op het eerste gezicht mag een journalist zich gelukkig prijzen als Israel zijn werkterrein is. Spectaculair nieuws is er te over. Het tachtigjarige conflict met de arabische omgeving heeft ontelbare dramatische episodes opgeleverd en Israel tot een brandpunt gemaakt in de internationale politiek. De uitzonderlijke relatie tot de Verenigde Staten, de oliecrisis van 1973, de transformatie van bedreigde natie tot bezettende mogendheid, de politieke stormen in de Verenigde Naties, vliegtuigkapingen en andere terreuraanslagen, interventies in Libanon, de Palestijnse intifada, de macabere bijrol tijdens de Golfoorlog, men kan de lijst naar believen langer maken. Elk voor zich hebben deze onderwerpen het nieuws beheerst. Desalniettemin ligt de crux van Israels bestaan bij de binnenlandse situatie. Om zich zelfs wille is het een turbulent immigratieland. Uit alle windstreken zijn er joden naar toegestroomd. Soms en masse, zoals een half miljoen joden uit de voormalige Sovjet-Unie in de eerste helft van de jaren negentig, die de zoveelste demografische aardverschuiving teweeg brachten. De breuklijn die door het leven van migranten loopt, krijgt in Israel een extra dimensie. Het land is zelf een contrapunt in de joodse geschiedenis, de breuk met het diaspora-verleden. De energie die daaruit is vrijgekomen heeft een dynamische lotsgemeenschap opgeleverd, zij het met veel onderliggende breukvlakken.

En dan is er die schaduw van de doem. Verrezen uit de as van Auschwitz bevindt Israel zich in de gevarenzone van bacteriologische en chemische wapens. Alsof deze twee apocalyptische polen niet genoeg zijn, wordt het land gegeseld door religieuze fanatici. Voor het bezit van het heilige land hebben zij hun eigen leven en dat van anderen veil.

Het bedrijven van goede journalistiek over Israel is moeilijk wegens de bedrieglijke gelijkenis met andere Westerse landen. Weliswaar ligt het nieuws er voor het oprapen, maar de duiding van de tumultueuze gebeurtenissen, laat staan hun implicaties voor de toekomst, vergen grote kennis van zaken.

Heel toepasselijk begint Salomon Bouman, ruim dertig jaar correspondent van deze krant in Tel Aviv, zijn boek Israël contra Zion met een liefdesverklaring aan de Negev-woestijn en stelt hij zich de vraag of dit landschap van invloed is geweest op het ontstaan van het monotheïsme. 'Is de mens in deze grimmige eenzaamheid ontvankelijk geworden door de één-God-gedachte? Noodt de woestijn tot volledige abstractie, die in het jodendom zelfs heeft geleid tot een volstrekt verbod op de afbeelding van Gods gestalte?' In dit oorspronkelijk in 1985 verschenen stuk, getuigt de schrijver zowel van zijn persoonlijke band met het land als van zijn behoefte om diepere samenhangen bloot te leggen.

Bouman is een intellectuele verslaggever, die met veelzijdige belangstelling en durf zijn omgeving analyseert. Tegelijkertijd is hij deelgenoot in Israels Werdegang. In zijn zucht tot verklaren klinkt de behoefte door om verantwoording af te leggen over zijn emigratie naar het land, dat tevens het object is van zijn werk.

Israël contra Zion bevat 65 van zijn langere - altijd moedige, vaak evocatieve - artikelen, die verspreid over drie decennia zijn gepubliceerd. Ofschoon de artikelen uiteenlopende onderwerpen behandelen, kan de bundel worden beschouwd als een betoog over de teloorgang van de oorspronkelijke zionistische ideologie.

In opeenvolgende fasen signaleert Bouman de verdringing van de oorspronkelijke sociaal-democratische waarden door een benauwend nationalisme en ruw kapitalisme. Naast het humane optimisme uit vroeger jaren heeft een, vaak door de godsdienst geinspireerde, hoogmoed de kop opgestoken. Door deze nieuwe geestesgesteldheid dreigt Israel de greep op de situatie te verliezen en zet het zelf zijn bestaan op het spel. Dit onvermogen komt met name tot uiting in het conflict met de Palestijnen, waarin Israel moreel aan het kortste eind trekt. Bouman dateert de omslag in 1967 - bij de verovering van grote stukken grondgebied van Egypte, Jordanië en Syrië, met inbegrip van Israels 'eeuwige hoofdstad' Jeruzalem en het aloude hartland van het joodse volk, tegenwoordig de Westoever. Deze verovering heeft het gevoel voor proporties aangetast en is de voedingsbodem geworden voor een religieuze wederopleving. In één adem met de religie zijn ook andere bindingsfactoren uit het diaspora-verleden naar voren gekomen, zoals het door vervolgingen geïnspireerde wantrouwen tegen de niet-joodse omgeving. Het gestolde vijandbeeld verhindert een realistische taxatie van daden en motieven van de tegenstander. Door deze dwangneurose worden diegenen uit eigen gelederen die een brug naar de tegenstander willen slaan tot verraders. Zie de moord op Rabin. Daarnaast zijn er veel religieuze Israeli's van overtuigd dat het godslasterlijk is om die delen van het Beloofde Land, die God in 1967 het volk teruggaf, op eigen gezag te ontruimen. Het is de revanche van de joodse geschiedenis op het zionisme, dat een joodse staat op rationele grondslagen wilde bouwen met achterlating van het religieuze Jodendom, eeuwenlang hét bindmiddel van het joodse volk.

Deze analyse wordt grosso modo door zeer velen gedeeld. Maar er is ook kritiek mogelijk. Zo behandelt Bouman nergens de vraag in hoeverre de rechtse seculiere politieke partijen na 1967 religieuze noties welbewust ten eigen bate hebben aangewend en zo mede gangmaker zijn geweest voor de godsdienstige verkleving met het land. Dan wel, of deze religieuze ontwikkeling vooral sui generis is geweest. Een tweede vraagteken past bij de door hem gesignaleerde gevolgen van politieke en militaire overmoed na 1967. Hieraan wijt Bouman de blindheid van Israels leiders voor de aanval van Egypte en Syrië in oktober 1973 (Jom-Kipoer-oorlog). Die misrekening was een feit, maar er waren ook andere factoren in het spel. De belangrijkste was dat Egypte en Syrië de oorlog begonnen in de verwachting deze te zullen verliezen. De oorlog was een vlucht naar voren, met name van president Sadat wiens positie in eigen land wankelde. De diplomatieke initiatieven van Sadat in de jaren vóór de Jom Kipoer-oorlog werden eveneens door binnenlandse motieven bepaald. Bouman ziet in Golda Meirs afwijzing van Sadats voorstellen dezelfde kortzichtige hoogmoed. Het is echter twijfelachtig of Sadat meer beoogde dan zijn binnenlands prestige op te vijzelen door Israël zo ver te krijgen zich gedeeltelijk uit de Sinaï-woestijn terug te trekken. Sterker nog, het is de vraag of Sadat zonder het helden-imago dat hij tijdens de Jom-Kipoer-oorlog verwierf, ooit tot zijn serieuze vredesinititief in 1978 zou zijn gekomen.

Deze kanttekeningen zijn meer dan detailkritiek. Zij raken aan een verschijnsel dat men vaker aantreft: de overschatting van Israels armslag in het conflict met de arabische wereld. Dit 'Israelocentrisme' doet zich voor als de hoogmoed van een groot deel van Israels politieke en militaire establishment. Maar het heeft zijn evenknie in de critici, die bij elke negatieve ontwikkeling de schuldvraag primair bij het Israelische leiderschap leggen.

Wellicht hangt dit samen met de hoge verwachtingen die er ten aanzien van Israel bestaan. Dat raakt aan de idealistische noties die men ook in Boumans werk aantreft. Het humane optimisme en de sociaal-demoratische waarden die hij dominant acht in de periode vóór 1967 waren niet zo wijd verbreid als verondersteld. Zij werden gedragen door de best-georganiseerde groep, die tevens een doorslaggevende rol speelde bij de stichting van de staat, maar die nimmer een meerderheid van de bevolking vormde. Blikvangers als de kibboets en andere coöperatieve bewegingen hebben nooit meer dan vijf à tien procent van de bevolking omvat.

Door coalitievorming en een verdeel- en heersbeleid heeft de sociaal-democratie zich als machtsblok kunnen consolideren. De Israelische pionierssamenleving was sterk gesegmenteerd en toegang tot de staatsmacht leverde privileges en onevenredig grote invloed op. Het kostte Israels eerste staatsman van formaat, de sociaal-democraat David Ben Goerion, de grootste moeite zijn kameraden zover te krijgen enkele van hun sociale instellingen over te dragen aan de staat. Dat lukte lang niet altijd.

Het krampachtige vasthouden aan de verworven macht met een aansluitend clientèle-systeem heeft zijn uitwerking op de maatschappij niet gemist. Tussen alle politieke partijen woedt een bittere rivaliteit om de machtsposities in de staat. Het vrijwillig afstaan van macht staat gelijk aan politieke zelfmoord. Deze rauwe wezenstrek van de Israelische politieke cultuur vormt een continuüm, dat zich van het jaartal 1967 niets aantrekt. Dit machtssysteem strekt zich ook uit tot de bezette gebieden. Partijen hebben er vanuit hun regeringspositie een eigen clientèle kunnen vestigen. Van een cesuur in 1967 is derhalve minder sprake dan op het oog lijkt.

Het antwoord op de vraag waar Boumans bevlogen opvatting over het Israel van vóór 1967 op stoelt, heeft niet alleen betrekking op de auteur maar op veel Westerse joden en niet-joden. Ook die waren waren bevangen door de vooruitstrevende sociaal-democratische beweging met haar geprononceerde egalitarisme. Het volksleger leek hen bijvoorbeeld een toonbeeld van eenvoud en heroïek. Dat beeld was niet onjuist. Maar de Israelische maatschappij kende toen al veel complexe onderstromen. Voor menig immigrant uit het Westen is de confrontatie met de Israelische maatschappij een hard gelag gebleken. Als goed journalist heeft Bouman die werkelijkheid opgezocht om er zonder blad voor de mond verslag van te doen. Als immigrant moest hij de teloorgang van zijn ideaalbeeld verwerken.

    • Thomas Simon