De wortels van de protestantse zuil

G.J. Schutte en J. Vree: Om de toekomst van het Protestantse Nederland. Jaarboek voor de geschiedenis van het Nederlands Protestantisme na 1800, jaargang 6. Uitg. Meinema, 253 blz. ƒ 39,90

Nederland verkeerde in 1848 in een uitzichtloze situatie. In de zomer van 1845 was de aardappeloogst mislukt, waardoor de prijs van deze eerste levensbehoefte enorm was gestegen. De structurele werkloosheid beliep zeven procent. In 1847 hadden zich voedselrellen en plunderingen voorgedaan. Maar liefst een kwart van de drie miljoen tellende bevolking was afhankelijk van de bedeling. De sociale en politieke malaise was groot.

Toen eind februari 1848 in Frankrijk weer eens revolutie uitbrak, sloeg vele vooraanstaande Nederlanders dan ook de schrik om het hart, vooral toen de opstand oversloeg naar Oostenrijk, Hongarije, Italië en Duitsland. Het was al de derde omwenteling in zestig jaar. De eerste Franse revolutie dateerde van 1789 en was uitgelopen op de dictatuur van Napoleon en de Franse bezetting. De tweede was de juli-revolutie van 1830, waarbij Louis-Philippe aan de macht kwam. Toen begon de afscheiding van België. Zou de derde, burgerlijk-liberale revolutie, die leidde tot de val van Louis Philippe, aan Nederland voorbijgaan? 'Iedereen voelde het: dit is een Europees gevaar en de lage landen liggen in de gevaarlijkste hoek', schrijft de antirevolutionaire historicus Hendrik Algra in zijn vierdelige vaderlandse-geschiedenisboek Dispereert niet.

In ons land leidden de gebeurtenissen in Europa van februari en maart 1848 echter niet tot een burgerlijke omwenteling maar tot 'koninklijke revolutie'. Koning Willem II was zozeer onder de indruk van de internationale gebeurtenissen en dermate bezorgd over zijn positie dat hij 'een koninklijke coup tegen constitutie, regering en parlement (pleegde), en zo van hogerhand een liberale revolutie (liet) voltrekken. Daarmee legde hij de natie een grondwettelijk bestel op, dat zonder zijn koninklijke wil geen kans van aanvaarding had gehad.' Tegenover het corps diplomatique verklaarde de koning 'in één nacht van zeer conservatief zeer liberaal' te zijn geworden.

Deze burgerlijk-liberale revolutie, die constitutioneel mogelijk was gemaakt door het voorbereidende denkwerk van de liberale hoogleraar Thorbecke, is van doorslaggevende betekenis geweest voor de ontwikkeling van de Nederlandse parlementaire democratie. Het machtscentrum verplaatste zich naar het gekozen parlement, waaraan het kabinet verantwoording diende af te leggen. De koning werd onschendbaar en de ministers verantwoordelijk. De burgers kregen het recht van vereniging en vergadering, er kwam vrijheid van onderwijs. Dankzij de steun van de liberalen kregen ook de katholieken gelijke rechten. Vijf jaar later werd de bisschoppelijke hiërarchie in Nederland hersteld.

Om de toekomst van het protestantse Nederland bevat een bundeling van tien opstellen over de ingrijpende consequenties van deze revolutie voor het Nederlandse protestantisme. De historicus G.J. Schutte schrijft: 'De liberale overwinning van 1848 betekende [...] een stevige uitdaging voor protestants Nederland. Veel kerkleden gevoelden zich door de liberale overheid de verzuiling opgedrongen. Voor- en tegenstanders van het liberalisme toonden in 1848 en volgende jaren te beseffen, dat het ging om de toekomst van het protestantse Nederland.' Met andere woorden: van de 'gereformeerde' grondtoon van de Nederlandse cultuur, zoals die zich in de Tachtigjarige Oorlog had ontwikkeld, dreigde door de groeiende invloed van de Verlichting alleen nog een vage echo over te blijven.

Onder leiding van vooral Groen van Prinsterer was inmiddels een protestantse tegenbeweging ontstaan, die zich niet alleen afzette tegen de toenemende invloed van het liberalisme, maar ook tegen het rooms-katholicisme. Antirevolutionair tegenover de liberalen, christelijk-historisch tegenover de katholieken. Er ontstonden tal van protestantse maatschappelijke organisaties die de invloed van de rooms-katholieke kerk moesten terugdringen. Toch bleek Groens aanvankelijke streven om van Nederland weer een voluit protestantse natie te maken tot mislukken gedoemd. Daarop zocht het protestantisme zijn kracht in het isolement: een eigen zuil.

De teloorgang van de protestantse natie had ingrijpende gevolgen voor het functioneren van de Nederlandse Hervormde Kerk en voor de predikanten, die hun status geleidelijk zagen veranderen van een maatschappelijk bevoorrechte geestelijke stand naar een gewone beroepsgroep. Het komt allemaal aan de orde in verschillende hoofdstukken, die goed bij elkaar aansluiten. Ook de consequenties voor het onderwijs - openbaar of bijzonder - worden beschreven. Interessant is ook het overzicht van de veranderingen in de leescultuur in de periode 1840-1860.

R. Kuiper wijst er in zijn bijdrage over de antirevolutionaire partijvorming op dat Thorbecke weinig heil zag in partijvorming. De liberale staatsman vond dat niet denk- of geloofsrichting maar bekwaamheid en karakter om de 'Landszaak' te dienen doorslaggevend dienden te zijn bij het kiezen van de afgevaardigden voor de Tweede Kamer. Maar de door hem doorgevoerde democratisering werkte juist het proces van maatschappelijke verzuiling in de hand. Nu, honderdvijftig jaar later, lijken de christelijke, de sociaal-democratische en de liberale geestesrichting hun laatste ideologische veren kwijt te raken. Het proces van verzuiling loopt ten einde. Steeds meer mensen stemmen op basis van vermeende 'bekwaamheid en karakter' van de kandidaten, ongeacht hun geestelijke herkomst. Is dit wegvallen van principiële politieke scheidslijnen wat Thorbecke in 1848 voor ogen had? Dan was hij zijn tijd anderhalve eeuw vooruit.

    • Herman Amelink