De conjuctuuur van de bedevaart; Oorden van genade

P.J. Margry & C.M.A. Caspers (red.): Bedevaartplaatsen in Nederland. Deel 1: Noord- en Midden-Nederland. P.J. Meertens-Instituut en Uitgeverij Verloren, 886 blz. Drie delen ƒ 390,-/per deel ƒ 144,-

Aan het begin van deze eeuw bracht de Franse schrijver Joris-Karl Huysmans een bezoek aan Lourdes ter voorbereiding van een boek dat in 1906, vlak voor zijn dood, zou verschijnen. Aanvankelijk wilde hij het De twee gezichten van Lourdes noemen. Want enerzijds was de pelgrimsplaats een oord van verschrikking, waar kudden gelovigen door priesters bijeen werden gedreven, vrouwen uit de provincie hun rozenkrans bewogen als merries hun halster, brildragende kwezelaars met veel tandvlees krasten als raven, en zieken een afgrijselijke lucht van pus verspreidden. Maar aan de andere kant heerste er onbaatzuchtige compassie, een diep verlangen naar geestelijk houvast en een oprecht geloof in mystiek.

De openbaringen van de Maagd Maria in een grot langs het riviertje de Gave aan een eenvoudig boerenmeisje hadden weerklank gevonden tot ver buiten de Franse grenzen. Ook talloze Nederlanders maakten de pelgrimstocht naar Lourdes. Het spreekt vanzelf dat gedurende de lange reis, maar ook in Lourdes zelf, de bedevaartgangers blootstonden aan allerhande verlokkingen, in het bijzonder van zedelijke aard. Geen wonder dat Nederlandse geestelijken welwillend stonden tegenover de aanleg van Lourdesgrotten in eigen land. Niet lang na elkaar verrezen krijtbergen te Groede en Zuiddorpe (Zeeland), Monster en Zevenhoven (ZH). Bij deze steenrotsen, waar de Maagd vanuit een nis de geloofsijver aanmoedigde, was Lourdes-water verkrijgbaar en zongen de aanwezigen liederen als 'Te Lourdes op de bergen' en 'Bij de grot van Lourdes'.

Deze en andere pelgrimsoorden zijn sinds kort handzaam op te zoeken in het prachtig uitgegeven lexicon Bedevaartplaatsen in Nederland, waarvan het eerste deel dat Noord- en Midden-Nederland behandelt onlangs is verschenen. De delen twee en drie over Noord-Brabant en Limburg zullen binnen afzienbare tijd volgen. Maar nu al is duidelijk dat het een onverslijtbaar standaardwerk gaat worden. Oorspronkelijk, zo schrijven de redacteuren, was een lijst met ongeveer 1100 potentiële bedevaartplaatsen opgesteld. Na veel wikken en wegen bleven er zo'n 650 over. Die voldeden aan het afgesproken signalement van een bedevaartsoord als een min of meer afgescheiden sacrale ruimte waarbinnen een bepaalde verering gestalte krijgt. Essentieel is daarbij het letterlijk grensoverschrijdende karakter en de religieuze context van de pelgrimage. Dat laatste criterium mist de beoogde precisie. Het is twijfelachtig dat 'ome Jan' van Rotterdam die op zijn sterfbed een visioen van O.L. Vrouw ontving en naderhand bekende zijn volgelingen voor twee ton te hebben opgelicht wél is opgenomen, maar tegelijkertijd Jomanda, die inmiddels de O.L. Vrouw van Lourdesdevotie heeft geannexeerd, buiten beschouwing is gelaten omdat zij teveel als gebedsgenezeres geldt. Elk genadeoord krijgt een topografische toelichting en uiteenzetting van het cultusobject. Daarna volgt een uitvoerige historische beschrijving, die wordt afgesloten met een opgave van bronnen en literatuur. Cultusobjecten zijn er in soorten en maten. Ze dienen zich aan in de vorm van een grot, beeld, hostie of relieken van een heilige. In het lexicon staan ook de schoenen van de H. Canisius afgebeeld. Wie het eerste deel van De tandeloze tijd van A.F.Th. van der Heijden heeft gelezen, zal zich herinneren dat dit schoeisel werd ontvreemd door hoofdpersoon Albert Egberts, die ter ere hiervan een 'relikwieënfeestje' organiseerde. Gelukkig zijn de relieken tegenwoordig beschermd tegen literair vandalisme: samen met de reisstok van de heilige zijn ze veilig opgeborgen in een glazen reliekschrijn, opgesteld in de Nijmeegse Canisiuskerk.

Een van de verdiensten van het boekwerk is dat tal van onbekende oorden aan het licht zijn gebracht. De auteurs hebben in hun speurzin grote spitsvondigheid aan de dag gelegd. Sommige bedevaartplaatsen konden worden getraceerd in gerechtelijke archieven. In 1498 verplichtte het gerecht van Zierikzee een tweetal burgers wegens schelden een strafbedevaart te ondernemen naar de H. Adriaan in Dreischor (Z). Ook in de archieven van gereformeerden, die korte metten met het fenomeen wilden maken, wisten de auteurs pelgrimsplaatsen op te sporen. Zo maakte in een verslag van de Groninger classis een hevig verontruste predikant gewag van pauselijke 'superstitiën' bij de ronde boom te Glimmen.

Het lexicon is een naslagwerk dat als basis voor verder onderzoek dient. Maar bij eerste lezing worden meteen enkele lijnen en patronen zichtbaar. Sommige vereringen leden al vóór de Reformatie een kwijnend bestaan. Dat lijkt het geval te zijn bij de devotie van het Heilig Sacrament in Amersfoort, de Walfridus-cultus te Bedum en de verering van O.L. Vrouw ter Nood Gods in Delft. Hoewel vanaf het laatste kwart van de zestiende eeuw rake klappen werden uitgedeeld door de protestantse overheid, kwam aan de pelgrimages in de Nieuwe Tijd geen einde. Sommige vereringen verplaatsten zich naar streken buiten het machtsgebied van de Republiek. Na de inname van Den Bosch en de Meierij door Frederik Hendrik kwamen relieken van de H. Odrada, die zich tot dan in Alem bevonden, onder andere terecht in het 'vrije' land van Megen. Pastoor en parochianen van Alem trokken sindsdien daarheen ter bedevaart. Andere cultussen vonden clandestien doorgang. Soms werden zelfs nieuwe vereringen begonnen, vooral door toedoen van ordensgeestelijken als jezuïeten en franciscanen. In 1761 verwierven franciscanen van Boschkapelle (Z) een reliek van een van de martelaren van Gorcum die veel bekijks trok. De roep van een genadeoord was een enkele keer zo sterk dat ook gereformeerden de verleiding niet konden weerstaan. De Alkmaarse classis moest tot groot ongenoegen vaststellen dat verschillende van haar lidmaten naar Heiloo trokken om er geneeskrachtig water te putten.

Terecht wordt in de inleiding door beide redacteuren opgemerkt dat te vaak continuïteit in de bedevaartcultuur is verondersteld. Dat geldt overigens niet alleen het daadwerkelijke bezoek, maar ook de betekenis die aan cultusplaatsen werd toegekend. De revitalisering van de bedevaarten na het herstel van de rooms-katholieke kerkorganisatie in 1853 was onderdeel van een devotionaliseringsproces dat in de katholieke wereldkerk gaande was. In Nederland ging een belangrijke stimulans uit van de seminaries Hageveld en Warmond, waar geestelijken wetenschappelijk onderzoek verrichtten naar in vergetelheid geraakte heilige plaatsen. Terwijl de vorm van de pelgrimages min of meer hetzelfde bleef, bestond er grote variëteit in aanleiding en inhoud. De verering van de eerste Nederlandse jezuïeten-generaal J.P. Roothaan te Amsterdam is bijvoorbeeld niet los te zien van pogingen om diens proces van zaligverklaring te bespoedigen. De pelgrimstochten naar Den Briel, Heiloo, Dokkum en Amsterdam hadden vooral een nationaal karakter, bedoeld om de band tussen katholicisme en vaderlanderschap te beklemtonen. Vooral in de jaren 1920-1940 kwam het tot een ongekende bloei. In Den Briel werden in 1932 zestienduizend georganiseerde pelgrims geteld. Aan de Stille Omgang in de hoofdstad deden in 1928 zo'n 29.000 mannen mee. Soms weerspiegelden sociaal-politieke omstandigheden zich in de bedevaarten. Het Ariënscomité organiseerde jaarlijks een herdenking bij het graf in Maarssen van deze stichter van de R.K. Werkliedenvereeniging.

Bij de vijftigste sterfdag van Ariëns waren de scherpste kanten wat afgesleten. Toen werd bij het grafmonument ook een krans gelegd door voormannen uit niet-confessionele vakbondskringen, onder wie Wim Kok. Een wel heel bijzondere aanleiding lag ten grondslag aan de verering van O.L. Vrouw in Emmer-Compascuum. De pastoor beloofde er een devotiekapel te stichten als de vierentwintig mannen uit het dorp, die in het kader van de politionele acties naar Nederlands-Indië waren gezonden, veilig zouden terugkeren. Toen dat het geval bleek werd met steun van de parochianen een kapel voor de 'Hertogin van Drenthe, Moeder van alle militairen' gebouwd.

In de jaren zestig beleefde de bedevaartcultuur een vrije val. Kerkvolk en geestelijken keerden zich in groten getale tegen de mystieke kanten van het geloof. Dat gold in mindere mate voor behoudende kringen binnen de roomse kerk. In het Overijsselse Haaksbergen werd de ziener en timmerman Holtschlag in nachtelijke verschijningen door de aartsengel Rafaël bij de hand genomen. De engel liet hem daarbij de apocalyptische verschrikkingen van de wereld zien: oorlog, abortus en euthanasie.

Van een herleving lijkt enigermate sprake te zijn sinds de jaren tachtig. Waarschijnlijk is het optreden van Johannes Paulus II, die een recordaantal zalig- en heiligverklaringen op zijn naam heeft staan, van invloed geweest. Door deze paus is trouwens het jaar 2000 als bijzonder jaar voor alle heilige plaatsen in de wereld uitgeroepen. Tegelijkertijd is er onmiskenbaar sprake van folklorisering en musealisering van het fenomeen. Processies zijn topattracties die massa's kijklustigen trekken en de afgelopen jaren hebben diverse musea aandacht aan bedevaarten geschonken. Dat het verschijnsel niet is terug te brengen tot de status van 'lieu de mémoire', mag blijken uit de mediahype die enkele jaren terug in Brunssum uitbrak. Talloze pelgrims en nieuwsgierigen hebben sindsdien de weg naar de Wenende Madonna in Limburg weten te vinden. Sommigen spreken hierover hun verbazing en ongeloof uit. Anderen verlangen terug naar een mystieke en devotionele geloofsbeleving. Zo bezien heeft de bedevaart nog altijd haar twee gezichten behouden.

    • Ronald van Kesteren