Dans om naar te luisteren; Savion Glover en de moderne tapdance

Het tapdancewonder Savion Glover tapt op reggae, op hiphop en op swingende jazz van de jaren dertig en veertig. “Van oorsprong is tapdance een rauwe vorm van expressie. Ik laat zien dat dat nog steeds zo is,” zegt hij in zijn dansstudio in New York. Hij werkt daar aan de voorstelling die in het Holland Festival te zien is. Savion Glover in Concert with NYOTs. Amsterdam, Carré. Inl. (020) 622 52 25. Van 16 t/m 21 juni.

Kloppen heeft geen zin. De grote stalen deur - zonder sleutelgat, zonder spionnetje - blijft potdicht. NYOT staat er in zwarte chocolade-letters op. En daar onder, iets kleiner: Not Your Ordinary Tappers. Stemmen of muziek dringen tot de gang niet door, maar wel een wild en steeds verspringend ritme. Het zijn salvo's harde knallen en snelle, droge tikken. Rakke-dakdakdak-rakke-dakkedakke-dak. Het regent knikkers op het parket, in genadeloze vlagen. Daar valt niet tegen op te kloppen.

Savion Glover houdt van lawaai. Twee jaar geleden schudde de nu 24-jarige tapdanser eerst Broadway en toen heel Amerika wakker, met zijn luidruchtige show Bring in 'Da Noise, Bring in 'Da Funk. Het was een aanstekelijke musical, maar vooral een koortsachtig dansspektakel, dat in één klap duidelijk maakte dat tapdance een springlevend genre is.

In Noise/Funk, zoals de show al snel heette, waren de tapdansers geen elegante figuren in avondkostuum meer, maar rebelse jongens met dreadlocks en 'baggy pants'. Tap bleek even goed bij stampende hiphop te passen, als de bij swingende jazz van de jaren dertig en veertig. Een ruigere vorm van tap was geboren, geworteld in het straatleven van zwarte jongeren in de Amerikaanse steden. De verrassende, brutale choreografie van Savion Glover gaf het genre aansluiting bij een nieuwe generatie.

Noise/Funk werd bekroond met vier Tony Awards (de belangrijkste Amerikaanse theaterprijs), waaronder één voor Glovers choreografie. De voorstelling, die aan de hand van de veranderende dans- en muziekstijlen vertelt over de geschiedenis van de zwarten in Amerika, is nog steeds in New York te zien, en inmiddels ook in andere Amerikaanse steden. Maar Savion Glover heeft zijn aandacht alweer naar nieuwe projecten verlegd.

In een dansstudio in New York werkt Glover met zijn broer Abron en twee andere dansers aan een volgend programma - dat ze onder meer zullen uitvoeren op het Holland Festival in Amsterdam. Als de grote, dichte deur van de studio eindelijk openzwaait, ligt de repetitie net even stil. De dansers komen verspreid door het zaaltje op adem, maar hun voeten veren nog wat na. Danseres Ayodele Casel staat bij een telefoon aan de muur te bellen, terwijl ze gedachteloos wat lichte passen maakt - flappele-tap-tap-tap, flappele-tap. Bij de grote ramen die uitkijken over Broadway wiegt Savion Glover van zijn ene been op zijn andere. Op het glas tikt hij een ingewikkeld ritme en hij murmelt zacht iets voor zich uit.

“Kom binnen,” roept hij, en met grote, trage passen beent hij op zijn bezoeker af. Zijn dreadlocks heeft hij boven op zijn hoofd samengebonden - een bos wortelen, zoals ze alle kanten uit wijzen en meedeinen met zijn stappen. In een van de vlechtjes zit een schelp, om zijn rechter pols heeft hij een armband van gekleurde touwtjes en onder zijn vriendelijke, open gezicht draagt hij een vlassig baardje.

Savion Glover danst al bijna zijn hele leven. Hij groeide op in een arme wijk van de stad Newark, in New Jersey. Zijn moeder, een actrice en zangeres, stuurde hem toen hij nog kleuter was naar drumles en later, als zevenjarige, met behulp van een studiebeurs naar een tapdans-klas op Manhattan. Hij viel op door zijn snelheid, zijn gevoel voor ritme en zijn inventiviteit. Op z'n twaalfde debuteerde hij op Broadway, in de titelrol van de musical The Tap Dance Kid. “De limo kwam hem 's avonds in Newark ophalen om hem naar Broadway te brengen”, zou moeder, Yvette Glover, later aan journalisten vertellen. “Zelfs de drugsverslaafden in de buurt waren trots op Savion.”

Amper vijftien jaar oud speelde hij met zijn idolen Gregory Hines en Sammy Davis Jr. in de film Tap. Er volgden meer Broadway-shows, en tussen 1991 en 1995 hoorde hij tot de vaste bezetting van de Amerikaanse versie van Sesamstraat, het populaire televisieprogramma voor jonge kinderen.

Zijn grote doorbraak was Bring in 'Da Noise, Bring in 'Da Funk, en niet alleen omdat hij daarmee zijn debuut als choreograaf maakte. Glover was vanaf dat moment niet langer het wonderkind in wie tap masters als Gregory Hines, zijn mentor, hun meerdere moesten erkennen. Hij was nu zèlf een tap master, een vernieuwer die school begon te maken. En hoewel hij op Broadway leerde tappen, staat zijn underground-stijl ver van de behaagzieke, klassieke tap van de Broadway-shows. Een recensent van The New York Times noemde Savion Glover “het antwoord van de jaren negentig op Fred Astaire”.

Razend

Glover lijkt zich in die rol volkomen op zijn gemak te voelen. Zijn jongensachtige enthousiasme en zijn brandende ambitie hebben van zijn roem niet te lijden gehad. “Wat mij zo aanspreekt”, zegt hij, in razend tempo pratend, “is dat je kan tapdansen op reggae, op hiphop, op jazz - op elke soort muziek. Op je eigen muziek. Y'knowwhatI'msayin'? Het was oorspronkelijk een hele rauwe vorm van expressie, waar je alle kanten mee op kon. Ik wil laten zien dat dat nog steeds zo is. Ik wil optreden in theaters, in stadions, en ik wil het publiek vanaf volgend jaar overstromen met films over tapdansen, ieder jaar één. Tap verdient respect en mag niet uit de publieke aandacht verdwijnen. Het is zo'n veelzijdige kunstvorm. De gevarieerdheid van het hele leven komt erin tot uitdrukking. Ik wil het vuur van mijn stijl brandend houden.”

Terwijl hij spreekt volgt Glover nauwlettend de bewegingen van zijn oudere broer Abron, die op denkbeeldige muziek de grond onder zich wegtrapt, ernstig, bezeten en met gloeiende concentratie, tot hij bijna loskomt van de zwaartekracht. “Dat is zo moeilijk, dat is moord”, zegt Savion in het jargon van de straat. En half spottend, half verwijtend roept hij zijn broer toe: “Hé, je denkt erbij na, man!”.

Halverwege Bring in 'Da Noise, Bring in 'Da Funk stond Savion Glover alleen op het donkere podium, met zijn rug naar het publiek. Voor hem stonden drie hoge spiegels. Het was doodstil, tot langzaam de geöliede machine van zijn voeten op gang kwam. Eerst platte tikken met de punt van zijn schoenen, daarna voller slagwerk met de hele zool en doffe dreunen met zijn hakken. Meer muziek was er niet, hij stampte zijn eigen percussie uit de grond. En op dat duistere toneel, dansend tegenover zijn drievoudige spiegelbeeld, stak hij een adembenemende monoloog af over zijn stijl, zijn leermeesters en zijn liefde voor de dansvorm die hij toepasselijk aanduidt als hoofin', dans waar het geklepper van paardenhoeven in doorklinkt.

“See, hoofin' is dancin' from your waist down”, legde hij uit. De mensen denken dat uitbundig zwaaien met armen en benen, en de grote stralende glimlach, allemaal bij tap horen. Naw, it's raw and it's real and it's rhythm. It's us and it's ours. Soms gebruiken tapdansers hun armen als vleugels, hun handen als hoepels: maar dat is allemaal franje. Waar het op aan komt, is ritme, reachin' for the rhythms, makin' music. Het gaat om het zoeken naar verschillende tonen in iedere stap, naar de muziek in het lawaai. Het gaat erom de vloer goed te raken, hit it, hit it, hit it.”

En dat is precies wat Glover doet, op het podium en ook in het zaaltje waar hij repeteert. Hij trekt zijn grijze joggingbroek op, springt in positie en roept: “Oe, Aa, Uh”. Een huppel. Een hak. Een trap, een stamp, een stap. Een huppel-hak, een hakke-stap, een rakke-kadakke-dak. TA-Dak.

Dan voert hij de vaart op. De roffels buitelen nu soepel over elkaar heen, rappele-tappele-tap. Iedere stap, hard of zacht, is een glasheldere klank in een reeks vol wendingen en versnellingen. Het is nauwelijks bij te houden, deze dans om naar te luisteren.

Ratelstapjes

Het gaat zo snel, stappen als dreunen met lood in de schoenen, maar ook vliegensvlugge ratelstapjes. En je wilt het allemaal horen, en ook allemaal zien, de voeten, de vloer en de lucht er tussen. Soms zit de melodie in de ene voet, de begeleiding in de andere. Hij sleurt je mee op zijn virtuoze danstocht, en je raakt onherroepelijk de weg kwijt.

Dan springt zijn broer, met een grote sprong, de knieën omhoog, midden in de werveling van armen, benen en dreadlocks. Hij klapt in zijn handen en danst mee, nu eens als de aanvoerder, dan weer als de volgeling, als in een broederlijk vraag- en antwoordspel.

“Wij vormen samen een orkest”, zegt Glover lachend, als hij weer even uitblaast met een handdoek over zijn schouder en een blikje ice tea in zijn hand. “Ayodele is de xylofoon, Abron is de bas, Chance is drums en ik eh ... ik ben de dirigent.” Maar als de andere dansers hem schaterend uitlachen, gooit hij die theorie met een armgebaar weer over zijn schouders.

“De muziek zit in ons hoofd”, zegt hij. “Altijd. Of het nu een liedje van Stevie Wonder is, muziek van Al Jarreau of rap van Puff Daddy.” Hij staat voor de lange spiegelwand en draait krulletjes in zijn haar. Opeens gooit hij zijn hoofd opzij, zwiept om zijn as en bevriest, totdat Ayodele Casel zich bij hem voegt. In duet neuriën ze de klassieke Irving Berlin-song Cheek to cheek: Heaven, I'm in Heaven... Zacht schommelend drijven ze even mee op de melodie, voor ze er tapdansend hun eigen accenten in beginnen te zetten, eerst nog sierlijk en volgzaam, maar allengs meer improviserend en oneerbiedig, met een wild hoefgetrappel dat met de woorden 'cheek to cheek' ten slotte niets meer te maken heeft.

“Dit is het eerste nummer waarin we samen dansen”, zegt Glover. “En het enige”, voegt hij er bijna verontschuldigend aan toe, “waarin we in de buurt van Hollywood komen. Maar ik houd er nu eenmaal van om verschillende stijlen te gebruiken, zolang er maar ruimte is voor improvisatie. Ik sta open voor allerlei soorten muziek, ik ben steeds op zoek naar nieuwe ideeën.”

Het nieuwe programma van Glover en zijn dansers, dat mede geproduceerd wordt door Dodger Endemol Theatricals, staat een week voor de New-Yorkse première nog amper in de steigers. Maar als Glover zich daarover zorgen maakt, dan laat hij er niets van blijken. Als zijn pianist en bandleider Eli Fountain een paar akkoorden aanslaat, trekt hij zijn schouders een moment in, terwijl hij zich verheft op de punten van zijn tenen. Dan duikt hij de muziek in.

Fel trapt hij zijn voeten van zich weg, rappetappetap, met de zool, met de hak, met de zijkant zelfs. Het knettert en het knalt. Het wel lijkt of de vloer terugtrapt, alsof zijn voeten telkens wegspringen om iets te ontwijken: de felle zestiende nootjes, in hun hinkelende ritme, die als kogels op hem afgevuurd worden. De dans wordt een veldslag, en Savion Glover strijdt met overgave. En ook deze keer temt hij de storm die hij zelf heeft opgeroepen.

“Dat is zo moeilijk, dat is moord”

Hij stampt zijn eigen percussie uit de grond

    • Juurd Eijsvoogel