'D66 verloor door gebrek aan durf'

DEN HAAG, 12 JUNI. D66 heeft de afgelopen jaren “gebrek aan visie en durf getoond”. De partij heeft de inhoudelijke agenda “verwaarloosd” en te weinig gewerkt aan de “mankementen” van de partijorganisatie.

Dit schrijven de directeur en de voorzitter van het wetenschappelijk bureau van D66 in een analyse over de positie van de partij. De auteurs, voorzitter Schouw en directeur De Vries, stellen niet de schuldvraag. Zij beschouwen de partij in den brede verantwoordelijk voor de situatie.

De auteurs constateren tegelijk dat het leiderschap van Van Mierlo in de afgelopen kabinetsperiode onvoldoende herkenbaar was omdat zijn ministerschap en leiderschap “een knellende combinatie” vormden. Zij constateren dat er sprake was van “een machtsvacuüm” in inhoudelijk, strategisch en organisatorisch opzicht.

De auteurs constateren verder dat de Tweede-Kamerfractie tijdens Paars I te weinig zichtbaar was. Zij menen dat D66 de coalitie te veel “als van ons” beschouwde en daarmee de politieke verhoudingen uit het oog verloor. “Er werd eerder gezocht naar het compromis dan naar de confrontatie”, aldus de voorzitter en directeur van het wetenschappelijk bureau.

Zij concluderen verder dat de bewindslieden van D66 in de tweede helft van de regeerperiode te weinig herkenbaar waren. Zij waren te belast, te veel afwezig en namen te weinig politiek stelling, zo is de analyse. Deze houding droeg er volgens de auteurs aan bij dat D66 een “verliezersimago” kreeg.

De leiding van D66 neemt de notitie voorlopig voor kennisgeving aan. Partijvoorzitter Kok ziet de analyse als een antwoord op zijn oproep op het verkiezingscongres begin dit jaar om verder te werken aan de vernieuwing van de partij. Pas als er meer reacties zijn zal het partijbestuur een standpunt formuleren. Fractieleider De Graaf laat via zijn woordvoerder weten dat D66 niet een cultuur kent “waarin personen schuld of boete moeten belijden”. De inhoudelijke en organisatorische vernieuwing zou “een permanent proces” en het rapport zou dus geen “afrekening” zijn.