C. Buddingh'prijs voor Nederlandse Poëzie; Anekdotes en bavianentaal

Miguel Declercq: Person@ges. De Arbeiderspers, 72 blz. ƒ 29,90

Frans Kuipers: Wolkenjagen. Atlas, 79 blz. ƒ 25,-

Erik Menkveld: De karpersimulator. De Bezige Bij, 44 blz. ƒ 32,50

Peter Theunynck: Berichten van de Pan American Airlines & Co. Manteau, 64 blz. ƒ 43,40

Aanstaande zondag wordt in de Rotterdamse Schouwburg voor de negende maal de C. Buddingh'-prijs voor Nieuwe Nederlandse Poëzie uitgereikt. Maar er is ook kans dat dit niet gebeurt. Een van de genomineerde dichters, Erik Menkveld, is immers sinds 1 april van dit jaar werkzaam bij de Stichting Poetry International, en het bestuur van die stichting besluit aan wie de prijs wordt toegekend. Per persbericht heeft Poetry inmiddels bekendgemaakt dat Menkveld niet meedingt. Mocht de jury oordelen dat De karpersimulator de beste debuutbundel van 1997 is, dan zal het bestuur dat advies naast zich neerleggen. De schijn van belangenverstrengeling zou te groot zijn als Menkvelds debuut wordt bekroond. Niettemin staat Erik Menkveld in het programma van Poetry International als genomineerde opgesteld. Samen met Miguel Declercq, Frans Kuipers en Peter Theunynck zal hij zich zondagavond als dichter presenteren. Elk van het viertal draagt voor uit zijn debuut en gaat daarna in gesprek met Rutger Kopland. Vervolgens krijgt het publiek te horen wie de Buddingh'-prijs van 1998 gewonnen heeft en dan wordt die winnaar door Gerrit Komrij gelauwerd met een orale aflevering van In Liefde Bloeyende.

Voor beginnende dichters is de Buddingh'-prijs een begeerlijke onderscheiding - zoals de Reina Prinsen Geerligsprijs dat in de jaren vijftig en zestig voor zowel proza- als poëziedebutanten was. Er is een geldbedrag aan verbonden, maar de immateriële aspecten zijn van groter belang. De bekroonde ziet zich op slag erkend en zijn of haar bundel krijgt ruimere aandacht dan de uitgave zelf teweeg kan brengen. Het is ook hoopgevend te worden opgenomen in een pantheon met zulke succesvolle collega's als Elma van Haren, Tonnus Oosterhoff en Anna Enquist. Van veelbelovend naar gevestigd lijkt dan een overzichtelijke weg.

De jury bestond dit jaar uit Esther Jansma, Marc Reugebrink en Huub Beurskens. Hun taak kan niet omvangrijk zijn geweest. Het aantal debuutbundels dat tussen Poetry International van 1997 en het festival van dit jaar werd uitgegeven is beperkt. Hooguit zes uitgaven zullen, denk ik, serieus in overweging zijn genomen. In alfabetische volgorde zijn dat: Person@ges van Miguel Declercq, Wolkenjagen van Frans Kuipers, De karpersimulator van Erik Menkveld, Berichten van de Pan American Airlines & Co van Peter Theunynck, 's Zomers stinken alle steden van Menno Wigman, en Viewmaster van Co Woudsma.

De laatste twee dichters zijn niet genomineerd. Misschien vond de jury, net zoals Guus Middag in deze krant, dat in Wigmans debuut een dichter spreekt die niet helemaal zijn eigen woorden gebruikt. In 's Zomers stinken alle steden klinkt een geleende stem op een geleende toon. Het is typisch 'dichterlijke' poëzie, met veel citaten van grote voorgangers.

Hoeveel enthousiaster dan werd het debuut van Co Woudsma door de literaire kritiek ontvangen. Maar ook dat ontbreekt op het voorkeurslijstje van Jansma, Reugebrink en Beurskens. Vonden zij de poëtische bouwdoosjes in Viewmaster te alledaags? Te braaf of zelfs benepen, want te vol achtertuintjes, kersthaas en huiselijke details?

Hoe dan ook, de jury van de Buddingh'-prijs heeft het spoor van de literaire critici gemeden. Van de vier genomineerde bundels kreeg immers alleen die van Menkveld meer dan één serieuze recensie in de Nederlandse pers. Person@ges van Declercq werd in zijn Belgische thuisland welwillend ontvangen, maar in Nederland is slechts het 'apenstaartje' in de titel door De Groene besproken. Kuipers' Wolkenjagen kreeg alleen in Vrij Nederland sympathie, en het debuut van Peter Theunynck bleef in onze dag- en weekbladen totaal onopgemerkt.

Ook dat is dus een nuttige functie van een debuutprijs. Het werk van de vaderlandse poëziecritici wordt doorgelicht, en dit jaar rijst dan minstens de vraag waarom Declercq, Kuipers en Theunynck zo weinig aandacht kregen. Hun bundels zijn op heel verscheiden wijze elk een proeve van poëtische zeggingskracht. Van bescheiden anekdotiek bij Theunynck tot en met virtuoze bavianentaal bij Declercq.

In Berichten van de Pan American Airlines & Co improviseert Peter Theunynck zestig pagina's lang op het thema van vliegen en luchtvaart. Een catalogus van het oeuvre van Panamarenko bracht hem daartoe, maar zijn poëzie is meer dan een commentaar op diens ambitieuze vliegmachines. Centraal staat de menselijke hybris, ingegeven door de gedachte dat een mens valt als hij niet vliegt. En tegelijkertijd stoelt die overmoed op onwetendheid. 'Alles wat zwaarder is dan lucht vliegt / niet,' stelt het gedicht 'All Wright', maar 'Orville en Wilbur weten dat / niet. Dus vliegen ze en worden lichter...' Mensen, vogels en machines worden in lichtvoetige verzen aan Theunyncks 'plane spotting' onderworpen. Vooral in de sectie 'Natuurgetrouw' levert dit nu en dan fraaie, trefzekere poëzie op. Het anekdotische karakter van deze debuutbundel heeft echter één nadeel: bij herlezing beklijven maar weinig van Theunyncks gedichten.

Dit geldt ook voor het werk van Miguel Declercq, maar dan allerminst als gevolg van een te bescheiden poetica. Integendeel, in Person@ges zijn alle registers van het taalorgel opengetrokken. Declercq beheerst die registers, maar wil dat te graag en te haastig bewijzen. Hij imponeert - ook als een toontje lager meer recht zou doen aan wat hij zegt. Vooral in de sonnettenkrans 'Olipodigra (Lacs d'amour)' werkt dit storend. Na een paar verzen al verlies je als lezer de draad. De woorddronken virtuositeit gaat dan irriteren. Schuilt er achter al dit taal- en citaatgeweld nog een menselijk verhaal? Maar indrukwekkend is het wel, het werk van deze tweeëntwintigjarige Vlaamse dichter. En ook zo eigen en eigentijds in zijn woordkeus en beelden dat ik nieuwsgierig word naar een volgende bundel van dit talent.

Frans Kuipers is de oudste dichter van het viertal, en dat blijkt ook alleszins uit zijn poëzie, die zich als 'optimistisch berustend' typeren laat. Dichten is wolken jagen voor Kuipers. Hij herkent zich dan ook in het vakgebied van een schilder als Jacob van Ruisdael: 'luchtkastelen, / lichtspinsels, 't vrijgespookte / roer-me-niet, de windvlugge geest.' De gedichten in Wolkenjagen zijn met schilderachtig elan geschreven, maar diep gaan ze niet. Er is geen bespiegeling. Het blijft bij blijmoedige natuurobservaties, nu eens droomachtig, dan weer als sprookje verwoord. Kuipers dictie en woordkeus zijn echter altijd raak en bij tijden verrassend. Dat maakt zijn debuut tot een van de betere bundels van 1997.

Rest De karpersimulator van Erik Menkveld. De kracht van diens poëzie zit in zijn principiële, prille verwondering over het alledaagse. Er wordt dan ook veel gekeken in deze bundel; met de eigen zintuigen, maar ook met die van andere wezens, want Menkveld heeft een wendbaar inlevingsvermogen. Dat leidt tot treffende beelden, die steeds helder verwoord zijn. En geen regel is saai. Waar ernst de kop opsteekt krijgt die een tegenwicht van nonchalant gepresenteerde humor. Daarbij laat Menkveld zich in zijn taalgebruik niet belemmeren door literaire tradities. Hij zegt het allemaal in zijn eigen, schijnbaar eenvoudige woorden en beelden, met een feilloze empathie. En met verwonderde ogen en oren voor menselijke raadsels, zoals in 'Toch wil ik het': Soms denkt hij dat hij afwas is of fruit. Verklaart hij een peer op de fruitschaal zijn liefde. Dan is het even stil. En dat blijft het. Al verklaart hem de peer ook haar liefde. Toch wil ik het alleen met hem en ik wil het ook alleen in de keuken in dit huis.

Het is onvermijdelijk. De jury zal De karpersimulator van Erik Menkveld voordragen als winnaar van de C. Buddingh'-prijs voor Nieuwe Nederlandse Poëzie 1998. Het bestuur van de Stichting Poetry International heeft dus een probleem. Maar hoe zo belangenverstrengeling? Menkveld schreef en publiceerde De karpersimulator lang voordat hij bij Poetry in dienst trad. Bovendien: toen zijn debuut verscheen was hij poëzieredacteur bij De Bezige Bij, en het was die uitgever die De karpersimulator publiceerde. Menkveld was dus zijn eigen redacteur; maar geen criticus of roddelrubriek heeft daaraan woorden vuilgemaakt. Waarom zou hij dan zondagavond geen mede-programmeur mogen zijn van zijn eigen feestje?

    • Arie van den Berg