Bestrijding separatisme doorgaans toegejuicht

Negen jaar lang heeft de wereld het probleem-Kosovo genegeerd. Pas toen in februari de separatisten van het Kosovo Bevrijdingsleger hun guerrilla uitbreidden en het Servische regime hard terugsloeg, ontwaakte de internationale diplomatie - om meteen in de hoogste versnelling te springen. Dat is opmerkelijk, gezien de stilzwijgende instemming of onverschilligheid waarmee doorgaans op de onderdrukking van separatisme wordt gereageerd.

ROTTERDAM, 12 JUNI. Niet eerder heeft de wereld van de diplomatie zo scherp gereageerd op de gewelddadige onderdrukking van separatisme als nu in de kwestie-Kosovo. De NAVO moet militair ingrijpen in Kosovo als de gewelddadigheden voortduren, ook als de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties niet met een resolutie van die strekking komt, zo vonden deze week de Nederlandse ministers Voorhoeve en Van Mierlo en zo vond gisteren ook de Amerikaanse minister Cohen. Voorhoeve wees erop dat de Joegoslavische president Miloševic ernstige misdaden tegen de menselijkheid begaat. De Britse minister van Defensie, Robertson, vindt dat de NAVO binnen “dagen eerder dan weken” moet ingrijpen.

Tot 'Kosovo' had de internationale diplomatie op onderdrukking van separatisme, hoe wreed ook, altijd gereageerd met stilzwijgende instemming of relatieve onverschilligheid. Van separatisme moest het Westen niets hebben sinds (bijvoorbeeld in de Slotacte van Helsinki in 1975) werd afgesproken dat grenzen niet met geweld worden gewijzigd. Separatisme wordt doorgaans gezien als een intern probleem waarmee het land dat ermee te maken heeft desnoods met geweld mag afrekenen: geen buitenlandse kanselarij die daartegen protesteert.

De kwestie-Kosovo is overigens niet altijd een zaak van separatisme geweest: ze is het geworden. In de vroege jaren negentig eisten de Albanezen nog slechts de teruggave van de provinciale autonomie die de Servische leider Miloševic in 1989 had afgepakt in zijn geheel geslaagde streven binnen Servië zijn legitimiteit te vestigen. Later radicaliseerden de Albanezen, vooral door de genadeloze Servische repressie: ze riepen eenzijdig hun 'Republiek Kosovo' uit en eisten de status van republiek binnen de Joegoslavische federatie. En pas sinds relatief korte tijd is ook dàt voor hun niet meer genoeg: nu eisen ze onafhankelijkheid, of aansluiting bij Albanië.

Niemand buiten Kosovo ziet enig heil in die afscheiding, zelfs Albanië niet. Ook in hun vroegere roep om een eigen republiek binnen de Joegoslavische federatie vinden de Kosovaren maar één medestander - Albanië. De rest van de internationale gemeenschap wil hooguit het herstel van de provinciale autonomie van 1989 - nog steeds.

In het post-communistische Oost-Europa is een handvol separatistische oorlogen uitgevochten met veel méér bloedvergieten dan nu in Kosovo, zonder dat de wereld maar een fractie van de strijdvaardigheid heeft opgebracht die nu jegens Kosovo aan de dag wordt gelegd. Zuid-Ossetië trachtte zich van 1990 tot 1992 van Georgië af te scheiden. Abchazië deed in 1992 en 1993 hetzelfde. Nagorny-Karabach vocht zich vanaf 1988 los van Azerbajdzjan en Transnistrië scheidde zich met geweld af van Moldavië.

Op de laatste na waren de resulterende oorlogen wreder en bloediger dan het conflict in Kosovo - en toch: geen minister sliep er korter door, schakelde de NAVO in, riep om precisie-bombardementen of liep naar de Veiligheidsraad. Sterker nog: al die oorlogen zijn ofwel veroorzaakt, ofwel gebruikt, ofwel verlengd door Rusland - zonder actieve steun van Moskou zouden de oorlogen in Georgië nooit zijn uitgebroken en die om Karabach allang zijn beëindigd - zonder dat enige internationale minister daartegen zijn stem verhief.

Tsjetsjenië is een nog duidelijker voorbeeld. De 'kleine victorieuze oorlog' die de Russen eind 1994 wensten, werd een jaren voortslepend, ongemeen bloedig fiasco dat 50.000 Tsjetsjeense burgers, drieduizend Tsjetsjeense strijders en zesduizend Russische militairen het leven kostte, vele tienduizenden mensen verminkte, Grozny met de grond gelijk maakte en een kwart miljoen mensen op de vlucht dreef.

Maar de internationale diplomatie heeft de Russen jarenlang rustig hun gang laten gaan omdat Tsjetsjenië een intern Russisch probleem was, net zoals Kosovo een intern Joegoslavisch probleem was tot de Albanezen het separatisme omhelsden en naar de wapens grepen. Rusland viel Tsjetsjenië binnen op 11 december 1994. Protesten bleven uit: alles wat volgde was een stilte die ironisch genoeg de weinige Russische tegenstanders van het ingrijpen alle wind uit de zeilen nam. Het eerste telefoontje van Bill Clinton naar Boris Jeltsin kwam op 13 februari 1995, twee volle maanden na het begin van de inval, en in dat telefoontje werd niet met vliegverboden of precisie-bombardementen gedreigd, maar werd beleefd “het belang onderstreept van een beëindiging van het bloedvergieten en het begin van een proces in de richting van een vreedzame regeling”, zoals zijn woordvoerder McCurry het indertijd uitdrukte.

Afzijdigheid kenmerkt ook de houding van de internationale diplomatie in talloze andere gevallen van excessief geweld tegen separatisme. Neem bij voorbeeld Sri Lanka en de Tamils (55.000 doden), Senegal en Casamance, Noord- versus Zuid-Soedan (honderdduizenden doden inclusief door oorlog veroorzaakte hongersnoden). Dichter bij huis heeft NAVO-bondgenoot Turkije slechts nominaal protest ontmoet toen begin jaren negentig duidelijk werd dat het Turkse regeringsleger in het zuidoosten van Turkije door andere NAVO-landen geleverde wapens had ingezet in de oorlog tegen de radicale separatisten van de Koerdische Arbeiderspartij (PKK). Dat de Turkse strijdkrachten van tijd tot tijd ook Noord-Irak binnentrekken om daar bases van de PKK te verwoesten, wordt na verbaal protest van de Europese Unie in 1995 tegenwoordig in het Westen genegeerd.

De PKK vecht al veertien jaar in het zuidoosten van Turkije voor een eigen Koerdische staat, een idee dat volstrekt uit den boze is voor de Turken die de gedachte van de hervormer Atatürk - één staat, één volk, één taal - met geweld blijven verdedigen. De oorlog heeft inmiddels 30.000 à 40.000 levens geëist. Het Turkse leger heeft zijn toevlucht gezocht tot buitengerechtelijke moordpartijen en folterpraktijken, en tienduizenden dorpen ontruimd en platgebrand om de PKK te isoleren: miljoenen Koerden hebben een nieuw heenkomen moeten zoeken in steden in het zuidoosten zelf en elders in Turkije. Ankara betitelt de PKK als louter een terroristische beweging; het Westen betwist dat niet. PKK-leider Abdullah Öcalan wordt niet door Westerse leiders ontvangen. Turkijes slechte staat van dienst op het gebied van de mensenrechten wordt door de EU wel gebruikt om het land niet als kandidaat voor EU-lidmaatschap toe te laten. Maar die beslissing wordt door de regering in Washington om strategische redenen zeer betreurd.