Avondmaal

- Mag ik wat eten van je lenen?

- Liever niet.

- Hè, toe nou. De winkels zijn al dicht.

- Ik heb er uren over gedaan om al dat eten mooi op te stellen.

- Dat zie ik. Het is schitterend. Maar m'n vriend komt plotseling eten.

- Nou vooruit dan. Niet te veel. Wat wil je?

- Misschien wel die ham.

- Die heb ik daar net na lang nadenken neergelegd.

- Die druiven zijn ook mooi.

- Kun je niet eens kiezen?

- Kan wel kiezen, maar het moet iets zijn dat past bij m'n afspraak.

- Schiet nou op.

- 't Blijft een heel verschil of ik een ham of een kreeft neem.

- Vertel mij wat. Uren over gedaan.

- Wat ligt het er mooi bij.

- Neem anders een perzik. Die mis ik het minst.

- Als ik iemand krijg die ik ontzettend leuk vind wil ik ook iets ontzettend mooi eten. Daarom kom ik bij jou.

- Dank je.

- Wat denk jij van die ham?

- Kijk eens hoe het wit aan dat rood raakt.

- Neem ik die. En die kreeft?

- Prachtige scharen.

- Doe die er dan ook maar bij.

- Je wilt wel veel. Kan ik morgen opnieuw beginnen.

- Wacht 'ns

- Ja, wat?

- Eet anders mee.

- Echt?

- Kun jij nog die kersen en pruimen en kastanjes en appelen en die garnalen en die kruisbessen en dat stuk brood meenemen. Maken we er een feest van. Jij begint morgen toch opnieuw.

    • K. Schippers