Alle dakgoten op 22 meter hoogte; De strategie voor de nieuwe metropool Berlijn van architect Josef Paul Kleihues

“Je moet een stad voor de 21ste-eeuw maken waarin mensen zich thuis voelen,” vindt de geestelijke vader van het 'nieuwe Berlijn', de architect Josef Paul Kleihues. Hij verweert zich tegen de groeiende kritiek op zijn stedebouwkundige plannen voor Berlijn. Zijn vakbroeders willen meer dynamische hoogbouw.

Het Berlijn van de toekomst is groots, het heden is minder. De Berlijnse 'balletten der bouwkranen' maken grote indruk op elke bezoeker, maar 'zu vermieten' is verreweg het meest voorkomende opschrift in Berlijn. Niet alleen in het historische centrum, de Friedrichstadt, staan veel nieuwe kantoorgebouwen leeg. Ook in een stadsdeel als Charlottenburg, dat minder is getroffen door de bouwwoede van de laatste jaren, kan overal met onmiddellijke ingang en tegen aantrekkelijke huren kantoorruimte worden betrokken.

Eigenlijk hadden de kranen en bouwputten van de nieuwe Duitse hoofdstad nóg indrukwekkender moeten zijn. Maar inmiddels zijn veel bouwplannen voor het nieuwe Berlijn uitgesteld. Van de te vernieuwen Alexanderplatz zijn ansichtkaarten te koop waarop dit nu desolate plein al wordt omzoomd door twaalf bakstenen wolkenkrabbers van Hans Kollhoff. Wanneer ze in het echt te zien zullen zijn, weet niemand.

Gaat het wel goed met het nieuwe Berlijn?

“De euforie van vlak na de hereniging van beide Duitslanden is weggeëbd”, zegt de architect Josef Paul Kleihues (1933) in zijn Berlijnse kantoor met aan de wanden werk van kunstenaars als Georg Baselitz en Markus Lüpertz. “Een leegstand van 6 à 10 procent is gezond, maar dit loopt de spuigaten uit. Investeerders gaan geen nieuwe kantoren bouwen als de al bestaande nog niet zijn verhuurd. Banken geven alleen nog leningen om te bouwen als je veel eigen kapitaal meebrengt of al een toekomstige huurder hebt. Maar ik ben niet pessimistisch: ik denk dat eind volgend jaar, als de regering en het parlement van Bonn naar Berlijn zijn verhuisd, alle interessante projecten, zoals die aan de Friedrichstrasse, hun huurders zullen hebben gevonden. Bovendien provoceert leegstand nieuwe oplossingen. In de jaren zeventig en tachtig zijn bijvoorbeeld op de Kurfürstendamm veel woningen als kantoren in gebruik zijn genomen, die nu hun oorspronkelijke functie weer kunnen krijgen.”

Behalve in Chicago, waar hij de uitbreiding van het Art Institute voor zijn rekening nam, bouwde Kleihues de laatste jaren vooral in Berlijn. Het Hamburger Bahnhof werd naar zijn ontwerp verbouwd tot een museum voor eigentijdse kunst, en in de Friedrichstrasse en op de Gendarmenmarkt zijn Kleihues' blokken met kantoren, hotels en woningen nu alweer enige tijd voltooid. Op de Pariser Platz, pal naast de Branderburger Tor, zijn een bank van Kleihues en zijn reconstructie van het huis van de schilder Max Liebermann bijna voltooid. En in Charlottenburg, niet ver van Bahnhof Zoo, staat zijn curieuze kantoortoren van staal en steen, bekroond door een hanenkam, zoals de Berlijners de kolossale driehoekige windvaan noemen.

Hitlers hofarchitect

Kleihues is de geestelijke vader van het nieuwe Berlijn dat het oude Berlijn moet doen vergeten. Voor, in en na de Tweede Wereldoorlog is Berlijn ernstig verminkt. In de late jaren dertig werden er gebouwen gesloopt om plaats te maken voor de nooit uitgevoerde plannen van Hitlers hofarchitect Albert Speer voor de nieuwe hoofstad Germania. Vervolgens zetten geallieerde bommenwerpers en Sovjet-tanks en -kanonnen Speers sloopwerk voort. Veel van wat nog van Berlijn restte verdween na de oorlog alsnog. Tijdens de wederopbouw werd het voor het oude Berlijn typerende gesloten bouwblok een stedenbouwkundig taboe: losse gebouwen in het groen en royale snelwegen moesten een stadslandschap gaan vormen.

Het werk van de naoorlogse stedebouwkundigen werd niet voltooid. In 1973 was het Josef Paul Kleihues die als eerste architect na de Tweede Wereldoorlog weer een gesloten bouwblok durfde neer te zetten in Berlijn. In de jaren tachtig werd hij de leider van de Internationale Bau Austellung (IBA), die van Berlijn de hoofdstad van het moderne-architectuurtoerisme maakte. Kleihues vroeg Duitse en vooral ook buitenlandse architecten als Herman Hertzberger, Rem Koolhaas, Aldo Rossi, Rob Krier en Zaha Hadid om voorstellen te doen voor stadsherstel met hedendaagse architectuur. De 'kritische Rekonstruktion', zoals Kleihues zijn ideeën over het herstel van de oude stad noemde, was geboren.

“Begin jaren zeventig heb ik samen met andere toen nog jonge architecten vastgesteld dat de verwoesting van de stad een halt toegeroepen moest worden”, zegt Kleihues over het ontstaan van de 'kritische Rekonstruktion'. “De moderne stedenbouw had wijken voortgebracht die een hoog IQ vereisen om een adres te vinden. Dat is niet alleen in het oude Europa gebeurd. Kijk maar naar Stuyvesant City in New York. Daar is de rasterstad vernietigd en staan grote woontorens in groene vlaktes. Troosteloos. Even verderop ligt Alphabet City. Armoedige huizen. Maar ze vormen wel een gesloten gevelfront aan de straat en meteen krijg je daar het gevoel: 'daar kan ik wonen'.

“Vervolgens stelden we ons de reconstructie van de Europese stad ten doel. Maar in de jaren tachtig kwamen de nostalgie en het postmodernisme op. Alles wat met reconstructie had te maken, werd plotseling bestempeld tot nostalgisch, postmodern en reactionair. Om het streven naar reconstructie van de Europese stad van deze kwade reuk te ontdoen, heb ik het begrip 'reconstructie' verbonden met 'kritisch'. Het is een veelomvattend begrip: het gaat niet alleen om voorschriften over bouwhoogten enzo, maar ook om de plicht kritisch te staan tegenover de geschiedenis, de toekomst en de verhouding tussen de traditie en het moderne.”

Vooralsnog heeft de 'kritische reconstructie' zich toch vooral vertaald in richtlijnen. Zo moesten degenen die bijvoorbeeld in de achttiende-eeuwse Friedrichstadt wilden bouwen, het vooroorlogse stratenpatroon herstellen en twintig procent van de ruimte bestemmen voor woningen. Verder moest de dakgoot van de nieuwe gebouwen 22 meter boven het straatniveau liggen, de traditionele bouwhoogte van het oude Berlijn, zo bepaalde de gemeente. Ook hebben de Berlijnse bestuurders een voorkeur voor 'duurzame materialen' als natuur- en baksteen en voor traditionele, langwerpige ramen. Hiertoe kunnen ze de projectontwikkelaars en hun architecten niet dwingen, getuige bijvoorbeeld Jean Nouvels geheel glazen Lafayette-warenhuis in de Friedrichstrasse.

“Ik ben blij dat er geen hoogbouw is gekomen in de Friedrichstadt”, zegt Kleihues. “Ik heb er als juryvoorzitter van de prijsvraag voor de Friedrichstrasse zelf voor geijverd dat de opdracht naar drie verschillende architecten ging, zodat er variatie ontstond. Voor mij vertegenwoordigen de drie grote gebouwen van Jean Nouvel, Oswald Mathias Ungers en het bureau van I.M. Pei drie werelden. Bij mijn eigen gebouwen heb ik ter wille van nog meer variatie voor de verschillende delen architecten als Hans Kollhoff betrokken. Allemaal zijn we sterk rationalistisch georiënteerd, maar we hebben elk onze eigen opvattingen die zichtbaar zijn geworden. Veel mensen denken dat het allemaal door dezelfde architect is ontworpen. Maar wie de verschillen niet ziet, heeft geen ogen in zijn hoofd.”

De echte modernen

De 'kritische Rekonstruktion' leidde tot een 'Architektenstreit', een verhit debat onder architecten over het toekomstige Berlijn. De deconstructivist Daniel Libeskind, die aan verschillende Berlijnse prijsvragen vergeefs deelnam, vergeleek het nieuwe Berlijn met dat van Speer, wiens naam sowieso erg snel valt in de discussie over Berlijn. De Nederlandse architect Rem Koolhaas, die nu de nieuwe Nederlandse ambassade in Berlijn mag gaan bouwen, gaf begin jaren negentig demonstratief elke betrokkenheid bij het nieuwe Berlijn op, toen hij merkte dat de 'kritische Rekonstruktion' de leidraad werd. Kristin Feireiss, die naast directrice van het Nederlands Architectuurinstituut ook eigenares is van twee architectuurgaleries in Berlijn, heeft meermalen beweerd dat Berlijn door de 'kritische Rekonstruktion' de kans heeft gemist om de stad van de 21ste eeuw te worden.

De kritiek heeft Kleihues getroffen: “We nodigen ze uit om hier te komen bouwen en dan krijgen we te horen dat zij de enige echte modernen zijn en dat wij de bouw van de stad van de 21ste eeuw verhinderen. Terwijl er geen stad op aarde is waar buitenlandse architecten zo veel en zo experimenteel hebben mogen werken. Maar wat mij vooral heeft gekwetst in deze strijd, is dat tegenstanders doen alsof zij het morele gelijk aan hun kant hebben. Ze doen alsof zij precies weten wat moreel, politiek en ethisch juist is. Alsof wij de slechte jongens zijn, alleen omdat we iets willen dat aan de Europese stad herinnert en vinden dat we met steen net zo goed modern kunnen bouwen als met glas. De bewering dat glas democratisch is en steen autoritair, vind ik onzinnig.

“Bovendien: wat is nu precies de stad van de 21ste eeuw? Ik heb in de jaren tachtig eens met Koolhaas een bezoek gebracht aan La Défense, de kantorenwijk in Parijs. Hij dweepte daarmee, en daar begreep ik niets van. Uiteindelijk kon hij me toch niet uitleggen waarom La Défense meer kwaliteiten had dan oude Parijse wijken als Le Marais of Saint Germain des Prés. Nu heeft Koolhaas het steeds over Aziatische steden als de toekomst. Mijn toekomst is dat niet, ik hoef daar niet te wonen. Ik woon liever op een Westfaalse boerderij. Of in de Friedrichstrasse.

“Het zou een interessant experiment zou zijn om Koolhaas of Libeskind eens een kleine nieuwe stad te laten bouwen, laten we zeggen iets voor 100.000 of 200.000 mensen. Als die klaar is, vragen we aan de mensen: waar wilt u wonen? In Berlin-Mitte, in de Prenzlauer Berg of in de stad van Koolhaas? Als ze dan massaal in de stad van Koolhaas willen wonen, dan wil ik wel geloven dat dat de stad van de 21ste eeuw is.”

Heimat-gevoel

Kleihues vindt niet dat globalisering moet leiden tot dezelfde soort steden overal op de wereld. “Globalisering speelt een grote rol in onze wereld. Het leidt bijvoorbeeld tot een eenwording van de taal, het Engels. Globalisering vindt plaats in de economie en industrie en in de natuurwetenschappen. Het beoefenen van natuurwetenschappen is niet gebonden aan een regio. Daar is niets op tegen. Maar op het gebied van architectuur, theater, muziek en literatuur betekent de globalisering slijtage of zelfs vernietiging van belangrijke culturele ervaringen. Andere culturen zijn interessant, juist omdat ze anders zijn. Als Berlijn of de Randstad in Nederland hun mulitculturele pretentie waar willen maken, dan moeten de verschillende culturen juist worden gekoesterd.

“Architecten moeten niet in de pas willen lopen met de dynamische economisch-politieke processen. Die veranderen zo snel, dat kun je als architect met je onroerend goed toch niet bijbenen. Integendeel, we moeten mensen rustige plekken bieden waar ze tot zichzelf kunnen komen en waar ze Heimat-gevoelens kunnen ontwikkelen. Stedenbouw moet de prioriteit hebben boven architectuur. Na de Tweede Wereldoorlog werd de bouwpraktijk zo dat iedere architect kon bepalen hoe hij bouwde: de ene keer wat hoger, de andere keer wat smaller, dieper, langer. Dat beschouw ik als een misverstand. Als men zich zo in de maatschappij zou gedragen, dan zou die onleefbaar worden. Tucht is iets verschrikkelijks, maar zelfdiscipline is de voorwaarde voor tolerantie. Als architecten wat meer zelfdiscipline hadden, zouden ze zich vaker afvragen wat ze de maatschappij eigenlijk mogen aandoen. Het is te gemakkelijk om een bonte jas aan te doen, op tafel te gaan staan en zo de aandacht te trekken.”

Kleihues gelooft ook niet dat moderne mediatechnieken als computers en internet het onbelangrijk maken waar men zich bevindt in de global village. “Dat is een illusie”, zegt hij. “Mijn naam klinkt bijna Nederlands, ik kom uit Westfalen en werk er nog steeds twee dagen in de week. Daar voel ik me op een heel andere manier thuis dan hier in Berlijn. In Westfalen is men georiënteerd op het westen, op Frankrijk, België en Nederland. Polen is daar ver weg. In Berlijn ben ik in een ander Europa.

“Vanuit Bonn zou de Duitse regering dan ook altijd een Westeuropese politiek voeren. Als we willen dat de Europese gemeenschap groter wordt en zich uitbreidt naar het oosten, dan móet de Duitse regering in Berlijn zitten. Ik weet dat het gevaarlijk is om dit als Duitser te zeggen, maar alleen als de Bondsregering hier is gevestigd, kan Berlijn een rol van betekenis spelen in Europa. Pas na de verhuizing van regering en parlement wordt Berlijn naast Londen, Parijs en Madrid de vierde metropool van Europa.”

    • Bernard Hulsman