WETTEN EN REGELS

De regels voor biotechnologische toepassingen zijn in Nederland in dertien verschillende wetten ondergebracht. Ze zijn afgeleid van regelgeving die in de Europese Unie van kracht is. Twee regelingen zijn in het bijzonder van belang:

Besluit genetisch gemodificeerde organismen Een onderdeel van de Wet Milieugevaarlijke Stoffen, kortweg aangeduid met 'Besluit ggo'. Hierin staan de eisen geformuleerd die gelden bij het werken met genetisch gemodificeerde organismen. Zowel laboratoria, proefkassen, stallen als het open veld vallen hieronder.

Het Besluit ggo verplicht tot het aanvragen van vergunningen, wanneer het werken met micro-organismen bepaalde risico's inhoudt en tot meldingen vooraf of rapportages achteraf wanneer dat niet het geval is. De door de overheid ingestelde Commissie Genetische Modificatie (COGEM) beoordeelt de risico-analyse; het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieuhygiëne verleent de eventuele vergunning. De Hoofdinspectie Milieuhygiëne controleert of de voorwaarden die in een vergunning worden gesteld, worden nageleefd. Ook voor veldproeven moeten onderzoekers toestemming hebben van de regering. De teelt van genetisch veranderde gewassen is dus aan strenge regels gebonden. De Europese Commissie heeft bovendien een paar belangrijke wijzigingen voorgesteld. De Commissie wil dat nieuwe gewassen maar voor zeven jaar kunnen worden toegelaten op de Europese markt. In die tijd moet nauwkeurig worden gevolgd of het grootschalig verbouwen ervan schadelijke neveneffecten heeft, die niet met veldproeven zijn te achterhalen.

Besluit nieuwe voedingsmiddelen Een onderdeel van de Warenwet, dat sinds vorig jaar van kracht is. Doel is de consumenten te behoeden voor risico's bij het eten van nieuw geproduceerde voedingsmiddelen, waaronder producten die genetisch gemodificeerde organismen bevatten.

Om een gewas aan boeren te mogen verkopen, moeten bedrijven toestemming hebben van de Europese Commissie. De Commissie gaat na of een ingebracht gen niet schadelijk is voor mens of milieu. Noch de ingebrachte genen, noch het nieuwe gewas mogen zich gemakkelijk over het ecosysteem verspreiden.

Uitgangspunt is dat het verboden is 'nieuwe' voedingsmiddelen op de markt te brengen, maar een fabrikant kan hiervan ontheffing vragen. In Nederland buigt een commissie zich over deze aanvraag, waarna de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport besluit of het product voor toelating in de Europese Unie wordt voorgedragen. De beslissing daarover is aan een comité waarin alle lidstaten zijn vertegenwoordigd. Dit comité kijkt bijvoorbeeld of de genetisch veranderde plant of bestanddelen ervan in het eindproduct zijn terug te vinden. En, zo ja, of ze giftig kunnen zijn of een verhoogde kans op allergische reacties kunnen geven. Bedrijven moeten hun veiligheidsgaranties met voldoende proeven onderbouwen. Bij twijfel wordt het product in principe niet toegelaten.

Toen de staatssecretaris moest besluiten of de gemodificeerde soja, zoals in de Verenigde Staten is ontwikkeld, in Nederland kon worden toegelaten, was de Europese regeling nog niet van kracht. Vooral op grond van Amerikaanse en Britse adviezen heeft de staatssecretaris destijds besloten dat levensmiddelen met gemodificeerde soja in Nederland op de markt mochten komen.

Andere wetten Andere wetten met regels voor biotechnologie zijn onder meer de Wet op de Geneesmiddelenvoorziening, de Diergeneesmiddelenwet, de Wet op de Dierproeven, de Wet Vervoer gevaarlijke stoffen, de Wet Milieubeheer, de Zaaizaad- en Plantgoedwet en de Rampenwet.