Verder op weg naar de partijstaat

Wat er ook van de afgelopen campagne voor de Tweede Kamerverkiezingen gezegd wordt, met geld gesmeten is er zeker niet. Verkiezingsstrijd in Nederland blijft toch altijd steken in een goedbedoelde voorstelling van het plaatselijk amateurtoneel. Gelukkig maar; het kneuterige van Nederlandse campagnes is tevens het charmante.

Keer op keer komen partijfunctionarissen boordevol ideeën en suggesties terug uit het buitenland waar ze dan even hebben mogen ruiken aan een 'echte' campagne. Maar eenmaal terugverwezen naar de Nederlandse schaal is er vaak niet veel meer over dan een flauwe schaduw van wat zij ooit zagen in de door hun bezochte landen. Natuurlijk, ook hier gaat het er allemaal een stuk 'gelikter' aan toe dan 25 jaar geleden, maar het blijft Nederland. Dus is elke campagne weer vastberaden, maar met mate. Geld is er niet en zodoende voeren vrijwilligers de boventoon. Het uit zich in scheef opgehangen affiches, verweerde marktkramen en verkleurde vlaggen.

Prettig neveneffect van de bescheiden Nederlandse campagnes is dat de financiering ervan ook nauwelijks tot enig gedoe leidt. In de Verenigde Staten achtervolgt de 'China-connection' president Clinton nog steeds. De Democratische Partij zou in 1996 via dubieuze figuren gelden uit China hebben gekregen voor de herverkiezingscampagne van Clinton. De Britse premier Tony Blair raakte in opspraak nadat bekend was geworden dat de directeur van de Britse Formule 1 races, Bernie Ecclestone, een miljoen pond had gestort in de campagnekas van Labour.

Het is bijna een wetmatigheid: de politicus of partij die zich openstelt voor giften van buiten, komt vroeg of laat in de problemen omdat hij met een financiële constructie zit die niet meer valt uit te leggen. Protocollen, gedragscodes, u-bocht constructies, indirecte financiering, allemaal bedoeld om giften te objectiveren, het maakt niets uit. Altijd is er weer het moment dat de ontvanger als gevolg van de donatie in een ongemakkelijke positie komt te verkeren. En dan maakt het niet meer uit of het om 5.000 dan wel 50.000 dollar gaat. Om elke schijn van belangenverstrengeling te voorkomen kan een partij er maar beter helemaal niet aan beginnen. Dat voorkomt moeizame gesprekken over grijze zones en schemergebieden.

Overigens is het gesprek in Nederland over campagnefinanciering vooral een academische kwestie. Want net zo min als politici met bepaalde bedrijven geassocieerd willen worden, willen bedrijven met bepaalde politici in verband worden gebracht. Groots en meeslepend zijn onze donatie-affaires dan ook nooit geweest. Ze zijn blijven steken in verhalen over giften van regionale boerenorganisaties aan regionale partijafdelingen.

Maar wat niet is kan nog komen, is de veelgehoorde waarschuwing. Campagnes worden elke keer duurder en politieke partijen steeds armer dus wordt externe financiering onontkoombaar. Maar dan moeten dergelijke gulle gevers wel een belang hebben. In een 'alles of niets'-systeem zoals in Groot Brittannië of de Verenigde Staten valt het belang goed te definiëren, maar in een coalitiestelsel als Nederland waar het maar afwachten is wie de werkelijke winnaar genoemd kan worden, is dat al een stuk moeilijker. In 1991 schreef de toenmalig partijvoorzitter van de VVD, Dian van Leeuwen, in een bedelbrief aan bedrijven dat de partij in de oppositie haar uiterste best zou doen de belangen van het bedrijfsleven goed in het oog te houden. Er kwam geen enkele reactie op. Natuurlijk niet. Wie geld geeft, wil tegen de macht aanschurken en niet tegen de machteloze oppositie.

Het zal in Nederland dus wel niet zo'n vaart lopen met dubieuze giften aan partijen. Pleidooien voor wettelijke regelingen zijn dan ook redelijk voorbarig. Maar bovenal zijn ze principieel onjuist. Of een partij zich al dan niet wil laten sponsoren moet de betrokken partij vooral zelf uitmaken. Het is bij uitstek een zaak waar de wetgever niets mee te maken heeft. Wettelijke regelingen op dit gebied zijn in strijd met de vrijheid van vereniging.

Daarbij komt dat de grens tussen staat en partijen in Nederland toch al steeds meer aan het vervagen is. Democratie wordt daardoor particratie. Tekenend voor deze ontwikkeling is de wet subsidiëring politieke partijen waarover de Tweede Kamer naar alle waarschijnlijkheid volgende week zal debatteren. Deze wet betekent niet minder dan een principiële breuk met het tot nu toe gevoerde beleid ten aanzien van politieke partijen. Als de wet wordt aangenomen, en niets wijst er op dat dit niet zal gebeuren, zullen in het parlement vertegenwoordigde partijen in het vervolg rechtstreeks worden gesubsidieerd. Hoe meer Kamerzetels, hoe hoger de subsidie voor de partij. Het gaat weliswaar om een bescheiden bedrag -in totaal is er nog geen tien miljoen gulden mee gemoeid - maar toch: het kanaal is gegraven en daar gaat het vooral om.

Zoals de Raad van State terecht opmerkte is met het wetsvoorstel sprake van het passeren van een waterscheiding. Partijen gaan door de voorgestelde constructie immers een financieel-juridische relatie met het staatsbestel aan. Bovendien leidt de koppeling van de subsidiehoogte aan het zetelaantal ertoe dat de band tussen de Tweede Kamerfractie en de partij nog intenser wordt. De vertegenwoordiging van een politieke partij in de Tweede Kamer is niet langer een vehikel van de partij om het gedachtengoed uit te dragen en te verwezenlijken, maar het vehikel.

Nogmaals het gaat slechts om beperkte bedragen terwijl bovendien een deel van de subsidiegelden - net als in de huidige situatie - aan nauw omschreven doelen moet worden besteed zoals de financiering van de wetenschappelijke bureaus en het jongerenwerk. Maar anders dan in de oude regeling hebben partijen straks veel meer vrijheid bij de verdeling van de hun toegekende subsidie over de verschillende posten en kan een deel voor algemeen gebruik worden aangewend.

Dat is het cruciale punt. Er wordt hiermee een stelsel geschapen van een zichzelf bedruipend politiek systeem. Inderdaad, 'omstreden' donateurs kunnen zodoende worden voorkomen. Maar in dit verband is de staat net zo omstreden.